and Emigrants to America
Designed for every Kloosterman namebearer of the descendants of Jan Claesz, sheriff of Kapelle Biezelinge, 1579-1583 and his son Cornelis Jansz op `t Clooster from Zeeland

Emigranten naar Amerika

        Lees ook:
• –» Kloosterman emigranten
• –» Zeeuwse emigranten

Nederlanders vestigden zich vanaf 1624 in Noord – Amerika.

Het was niet ongebruikelijk dat door de hongersnood, tyfus, cholera en andere besmettelijke ziekten 25 % van de passagiers tijdens een overtocht overleden. Het aantal sterfgevallen nam rond 1850 sterk af door betere regulering van de overheid, betere hygiëne en snellere schepen die stoomkracht met zeilen begonnen te combiner.
In 1847 was de emigratie driemaal zo hoog als het jaar ervoor. Duizenden Europeanen verlieten hun geboorteland op zoek naar een beter leven, velen stierven door de mislukte aardappeloogsten de hongersnood

De reis naar Amerika was echter niet zonder gevaar!

Uit de “Atlantic Ferry”, door A. Maginnis, 1892.
(samenvatting uit de New York Herald, 26 oktober 1853″)

“De emigranten schepen die de laatste weken New York binnen kwamen hadden een groot aantal sterfgevallen aan boord. Aan boord van één schip, de Charles Sprague, waren 45 doden te betreuren, zij waren allen overleden tijdens de passage van Bremen naar New York en aan boord van een ander schip, de Winchester, afkomstig uit Liverpool, was het aantal sterfgevallen zelfs 97.”

Bron: Onderstaande is een artikel uit “Het geheugen van Nederland

Het begin
Nederlanders vestigden zich vanaf 1624 in Noord – Amerika. Toen de Engelsen, in 1664, Nieuw Amsterdam en de kolonie Nieuw Nederland veroverden, stopte de instroom van nieuwe groepen Nederlanders naar het werelddeel. Daar kwam pas aan het begin van de negentiende eeuw verandering in.

Waarom emigreren?
Een belangrijke drijfveer voor het vertrek in die tijd vormde de belabberde economische situatie in het vaderland. De Napoleontische oorlogen hadden het land uitgeput. De afscheidingsoorlog met België, debelastingdruk, de aardappelziekte van 1845-47 en de daarop volgende droogte veroorzaakten, door hoge voedselprijzen, bittere armoede in grote delen van het land. Vooral de arbeidende klasse had het zwaar te verduren. Er was echter nog een andere oorzaak voor het vertrek.

Na 1816 werden er allerlei overheidsbepalingen ingevoerd die van invloed waren op het kerkelijke leven. Binnen de Hervormde Kerk ontwikkelde zich in reactie op de ingrepen van de overheid een stroming die een terugkeer naar de meer orthodoxe opvattingen bepleitte. Het gevolg was dat deze groep zich afscheidde van de Nederlandse Hervormde kerk. Zij besloten Nederland te verlaten en zich te vestigen in nieuwe gemeenschappen in Amerika. Die gemeenschappen in het middenwesten van Amerika oefenden grote aantrekkingskracht uit op de achtergebleven relaties in het moederland.

Hendrik Pieter Scholte

Aantallen migranten
De omvang van de stroom emigranten naar de nieuwe wereld werd niet uitsluitend bepaald door de Nederlandse situatie. De vooruitzichten in Amerika speelden ook een belangrijke rol. Het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) 
en een daarmee samenhangende economische crisis leidde dadelijk tot een 
vermindering van de migratie. De Homestead Act van 1862, die goedkoop land beloofde aan immigranten, zorgde daarentegen voor hernieuwde belangstelling.

Over de exacte aantallen Nederlandse emigranten die in de 19e eeuw naar Noord-Amerika vertrokken bestaat onduidelijkheid. De registratie van emigranten in het thuisland en de registratie in het ontvangende land vertonen hiaten en zijn bovendien niet erg overzichtelijk. Robert P. Swieringa becijferde dat in de periode 1835 tot 1880 ongeveer 75.000 tot 100.000 Nederlanders in hun nieuwe vaderland arriveerden. Het hoogtepunt deed zich voor in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Dat zijn voor Nederlandse begrippen aanzienlijke aantallen. Wanneer de Nederlandse emigranten echter worden vergeleken met de ca. 10 miljoen Europeanen die in dezelfde periode naar de VS kwamen is het Nederlandse aandeel niet erg indrukwekkend.

Emigreren om het geloof 
In 1814 werd in de eerste Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden artikel 133 opgenomen dat bepaalde: “De christelijke hervormde Godsdienst is die van den Souvereine Vorst.” Het artikel verdween in 1815 toen het voornamelijk Rooms-katholieke België onderdeel van het Koninkrijk werd. Toch bleef, wat nu de Nederlandse Hervormde Kerk heet, lange tijd de enige erkende protestantse kerk in Nederland. Alle regerende leden van de familie Van Oranje waren en zijn tot heden lid van dit kerkgenootschap.

Koning Willem I hield zich ook met kerkelijke vraagstukken bezig. Hij liet voor de Nederlandse Hervormde Kerk een kerkorde ontwerpen. Op 7 januari 1816 werd deze kerkorde, het Algemeen Reglement voor het bestuur van de Hervormde Kerk, bij Koninklijk Besluit goedgekeurd. Het werd door veel protestanten gezien als een rechtstreekse inmenging in hun kerkaangelegenheden.

Na 1816 volgden meer overheidsbepalingen die van invloed waren op het kerkelijke leven. Zo kwamen opleiding en examinering van dominees onder staatstoezicht te staan.

De afscheiding
In Leiden was binnen de theologische faculteit een groep studenten actief die zich verzette tegen de overheidsmaatregelen. Zij vonden hun leider in Hendrik Pieter Scholte. Ook nadat hun studie was afgerond en ze waren benoemd tot dominee bleef de groep contact houden en gezamenlijk volharden in hun verzet. Onder de studenten bevonden zich toekomstige leiders van emigrantengroepen zoals: Albertus Christiaan van Raalte en Anthonie van Brummelkamp.

De strijd tegen de gedwongen kerkhervormingen en voor het recht om orthodox te blijven barstte los na 1834, toen dominee Hendrick de Cock uit Ulrum zich met zijn geloofsgemeente publiekelijk afscheidde van de Hervormde kerk. In een plechtige bijeenkomst tekenden de gelovigen ‘de akte van afscheiding en wederkering’. Dit voorbeeld werd spoedig door vele gemeenten, waaronder die van Van Raalte en Scholte, gevolgd.

Dominees in verzet
De Nederlandse overheid probeerde de ‘Afgescheidenen’ terug te dwingen in de moederschoot van de Hervormde Kerk. Ze daarbij gaf een bijzondere uitleg aan de grondwet door te stellen dat de vrijheid van godsdienst die in de grondwet van 1814 was opgenomen, uitsluitend gold voor bestaande kerkgenootschappen. Dat maakte het voor de afgescheidenen onmogelijk zich op de grondwet te beroepen. Toen dit onvoldoende effect bleek te hebben werden door de overheid oude artikelen uit de Code Napoleon van stal gehaald. Het ging met name om de artikelen die nadrukkelijk bepaalden dat voor het organiseren en houden van bijeenkomsten van meer dan twintig personen, toestemming van de overheid nodig was. Op grond van deze artikelen kon de politie, op legale gronden, regelmatig kerkelijke bijeenkomsten binnen vallen en dominees en hun volgelingen arresteren.

Na de troonafstand van koning Willem I (1840) nam de vervolging af om na 1848, toen een nieuwe grondwet werd ingevoerd, zelfs geheel te verdwijnen. Dat was echter voor veel afgescheidenen te laat. Zij besloten om de als knellend ervaren situatie in Nederland te verlaten. Zij wilden nieuwe gemeenschappen stichten en zagen daartoe in Amerika de beste mogelijkheden liggen. In hun streven werden zij gesteund en geïnspireerd door een brochure met de titel: ‘Waarom bevorderen wij de Volksverhuizing naar Noord-Amerika en niet naar Java?’. In deze brochure legden Van Raalte en Brummelkamp verantwoording af voor hun keuze.

Om hun idealen te realiseren richtten de beide strijdbare dominees de ‘ Christelijke Vereeniging voor Landverhuizers naar de Vereenigde Staten van N.-Amerika’ op.

Christelijke enclaves

Dominee Van RaalteIn Amerika ontstonden drie grote groepen van afgescheiden migranten. Ze werden vernoemd naar de plaatsen, Utrecht, Arnhem en Zeeland en respectievelijk geleid door de dominees, Hendrik Pieter Scholte, Albertus van Raalte, Marten Ypma en Cornelis van der Meulen.

De groep van Van Raalte arriveerde in november 1846 in New York en vertrok dadelijk naar Wisconsin. De keuze voor dit gebied werd ingegeven door bekenden die vooruit waren gereisd en die positieve berichten over de vestigingsmogelijkheden hadden gestuurd aan de achterblijvers. Jammer genoeg kon door de strenge winter het reisdoel niet meteen worden bereikt. 

De groep besloot te overwinteren in Detroit. Daar hoorden ze van de mogelijkheden die Michigan bood. Na een verkenningstocht besloot Van Raalte het reisdoel te wijzigen en kocht hij een groot stuk land in Michigan. Zodra de overige leden van de groep arriveerden begon men het land te bebouwen en werd het plaatsje Holland gesticht. Spoedig daarna ontstonden er andere Nederlandse gemeenschappen in de buurt. Dominee Van der Meulen stichtte Zeeland in Michigan. De gehele streek kreeg met namen als Vriesland, Groningen, Noordelos en Harderwyk een onmiskenbaar Nederlands karakter.

Op de prairie van Iowa ontwikkelde zich in ongeveer dezelfde periode de groep Utrecht tot een gemeenschap onder leiding van dominee Scholte. In Marion County ontstond Pella, de belangrijkste Nederlandse nederzetting van het gebied. Het was een Bijbelse naam die verwees naar de stad waar Christenen naar toe vluchtten toen Jeruzalem (70 AD) door de Romeinen werd verwoest.

Andere groepen
Naast de groep protestante landverhuizers vertrokken ook katholieke Nederlanders naar overzee. Dat betrof voornamelijk arme keuterboeren uit Brabant en Limburg. Hun aandeel in de emigratiestroom is bescheiden. Een groep katholieke Nederlanders vertrok naar de staat Wisconsin waar ze zich onder meer vestigden in Little Chute en Green Bay.
Ook elders op de aanvoerlijnen naar het Westen zoals in de staat Illinois vestigden zich in de periode vlak voor het uitbreken van de burgeroorlog, Nederlandse emigranten.

Gestrand?
Niet alle emigranten reisden dadelijk door naar het middenwesten of andere bestemmingen. Vele duizenden bleven om allerlei reden in de havensteden aan de Oostkust van Amerika achter. Soms moest eerst in het nieuwe vaderland voldoende geld worden verdiend om elders grond te kunnen kopen. Ook kwam het voor dat allerlei ziekten reizigers dwongen tot een langer verblijf. Tegen de tijd dat de zieken waren hersteld of het benodigde geld was verdiend, hadden familieleden vaak werk en onderdak gevonden. Daardoor was de noodzaak om verder te reizen afgenomen.

Een huisje op de prairie 
Het viel niet mee. Als de landverhuizers eindelijk na hun lange reis op de plaats van bestemming arriveerden werden ze vaak teleurgesteld. In hun brieven aan de familie en bekenden in Nederland beschreven ze de wanhoop die ze soms overviel. De grond die ze hadden gekocht moest bouwrijp worden gemaakt. Dat betekende dat er zwaar lichamelijk werk moest worden verzet zoals bomen rooien, stronken ruimen en ploegen. Als men niet bij vrienden of familie kon intrekken moesten ze ook nog een onderdak bouwen. Ze gebruikten de stammen van de gerooide bomen om er blokhutten van te bouwen maar het kwam ook voor dat een nog simpeler onderkomen moest worden gebouwd.

Dirk Versteeg die tot de eerste landverhuizers behoorde die zich in Pella (Iowa) vestigden beschreef in 1886 de beginperiode als volgt:

Even buiten het toenmalige Pella stond de “Stroostad”. Waarom het zo heette wist niemand, er was geen stro te zien. Daar verbleven de nieuwkomers en armen die over geen of weinig kapitaal konden beschikken. Zij bouwden er hutten van graszoden. Om die hutten te bouwen, groeven zij eerst een kuil van een halve tot een hele meter diep in de grond. De zoden die men zo verkreeg werden aangevuld met van elders verkregen exemplaren en langs de randen van de kuil op elkaar gelegd.

Zij vormden de muren en ook het dak en zelfs de schoorsteen werden van dezelfde bouwstoffen gemaakt. De bouw van een dergelijk onderkomen vergde niet lang. Er werden openingen uitgespaard voor een deur en vensters. Een trapje werd aan de ingang gemaakt om het afdalen gemakkelijk te maken. Het ontbrak er vaak aan een planken vloer en aan een zolder. De meubels bestonden uit hetgeen zij hadden meegebracht of haastig hadden gemaakt van planken. Die planken werden gekocht van de zes mijlen verder gelegen door water aangedreven zaagmolen.

Na enige jaren van tegenslag en voorspoed verdwenen de meeste armoedige onderkomens. Ze werden vervangen door betere huizen. Sommige immigranten lieten als een herinnering aan de barre tijden die zij doorleefd hadden echter hun blokhut of plaggenhut staan of gebruikten deze als opslagplaats of stal. 

Source: Archives Calvin College Grand Rapids Michigan.

Source: Archives Calvin College Grand Rapids Michigan.

Op zoek naar vrijheid
De belabberde economische situatie in Nederland hielp mee de laatste twijfels om elders het geluk te zoeken weg te nemen. In sommige gevallen besloot een deel van een plaatselijke geloofsgemeenschap gezamenlijk passage te boeken, zich in te schepen en te vertrekken naar Amerika. De predikanten hoopten dat daarmee kon worden voorkomen dat de geloofsgenoten ‘ in de verstrooiing ‘ zouden geraken. Door gezamenlijk te opereren kon men elkaar, eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming, ondersteunen en in gezamenlijkheid, het evangelie in de moedertaal aanhoren. Het was een variant op het Oud-Hollandse spreekwoord: ‘eendracht maakt macht’.

Zo vestigden de volgelingen van de dominees zich vooral in de buurt van elkaar in de staten van het middenwesten. Daar kunnen tot op de dag van vandaag Nederlands klinkende familienamen en plaatsnamen van getuigen.

De afgescheidenen vormden niet de meerderheid van de migranten die in de negentiende eeuw vertrokken. De meeste van de ongeveer 100.000 landverhuizers die in deze periode hun heil in Amerika zochten waren niet betrokken bij de scheuring in de kerk. Zij verspreidden zich al of niet in gezinsverband over het enorme continent en gingen op in de immigrantensamenleving.

Van hier naar daar
De landverhuizers in de negentiende eeuw maakten de oversteek onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Toch vertrokken miljoenen Europeanen naar de nieuwe wereld. Ook uit Nederland waren dat er meer dan honderdduizend. Van het land naar de kustNederlandse landverhuizers kwamen uit verschillende (vooral arme) landelijke gebieden. Het was niet eenvoudig om het geld voor de oversteek bijeen te krijgen. Vaak moesten ze daartoe hun schamele bezittingen verkopen. Men behield slechts het lijfgoed en het hoognodige. Dan begon de reis en namen de emigranten, veelal voor altijd, afscheid van de vertrouwde omgeving. Later, in de loop van de eeuw, zou de financiering van het vertrek eenvoudiger worden omdat geld kon worden geleend van reeds vooruit gereisde familieleden.

De landverhuizers reisden te voet, per paard en wagen, trekschuit, beurtvaartschipper of per trein naar de havens van Rotterdam of Amsterdam. Soms vertrok men uit buitenlandse havens zoals Antwerpen, Bremen, Liverpool of Le Havre.

Er kon gebruik worden gemaakt van reisagenten die de gehele overtocht regelden, maar dat deed niet iedereen. Dan moest men in een haven gaan zoeken naar een geschikt en betaalbaar schip. Die waren niet altijd dadelijk beschikbaar. In de tijd dat de overtocht naar Amerika uitsluitend per zeilschip geschiedde moest men, wanneer een schip was gevonden, vaak wachten op een gunstige wind. Met de introductie van de stoomvaart vanaf het midden van de eeuw verdween deze vertragende factor echter.

Het leven aan boord
Zodra zij zich hadden ingescheept konden de emigranten zich voorbereiden op de overtocht. Die kon afhankelijk van de wind en het seizoen tussen de vijf en acht weken duren. De condities aan boord van immigrantenschepen waren voor passagiers in de 3e klas (ook wel tussendekpassagiers genoemd) en voor de zogeheten ‘landverhuizersklasse (ook wel ‘steerage’ genoemd) buitengewoon onaangenaam. De ruimte die men aan boord kreeg toegewezen, was klein, donker en vaak smerig. De meeste passagiers hadden de zee nog nooit gezien en werden angstig bij het zien van de enorme watermassa. Het voedsel dat aan boord werd verstrekt vormde een extra aanslag op de magen van de ongelukkige reizigers. Sommige passagiers brachten de gehele reis (zee)ziek in hun bed door.

Als men in het najaar vertrok was de kans op een zware storm groot. Uit verhalen van passagiers en uit scheepsjournalen blijkt dat bij zwaar weer de toegangen tot de passagiersruimten op zeilschepen werden afgesloten. De ellendige landverhuizers verbleven dan soms dagenlang in het halfduistere benedendek, in de buik van het rollende,stampende en slingerende schip. Ze kregen niet de mogelijkheid om aan dek te komen en de frisse zeewind in te ademen. De ontlasting en het braaksel van de zeezieken werd in open tonnen bewaard. Zo nu en dan bleek dat de capaciteit onvoldoende was en dan golfde het stinkende mengsel op het dek van het verblijf mee met de bewegingen van het schip. Het drinkwater werd in die tijd nog in houten vaten vervoerd. Als de reis lang duurde, moest het met azijn worden aangelengd om het bederf tegen te gaan. Dat kon echter niet verhinderen dat het water op den duur verschrikkelijk stonk.

Met enige regelmaat braken er besmettelijke ziekten uit aan boord. Niet alle ingescheepte passagiers bereikten dan ook hun bestemming. Vaak was dat New York, maar men kwam ook in Baltimore, Philadelphia, Boston of New Orleans aan land.

In Amerika
Landverhuizers konden in de plaatsen van aankomst gebruik maken van de diensten van officiële instanties, predikanten of particulieren die ze verder op weg konden helpen. Onvermijdelijk waren bij de laatstgenoemden bedriegers en oplichters actief. In het algemeen konden de landverhuizers echter hun weg naar de uiteindelijke bestemming snel vervolgen. Dat was maar goed ook, zo bleek uit een brief die een emigrant uit New York aan zijn familie schreef: Deze stad is op veel plaatsen een gevaar voor voetgangers vanwege de massa karren en wagens en het lawaai van de vele mensen die zich heen en weer bewegen.

En dan was er ook nog het gevaar dat vrome landverhuizers in de stad, die ook toen ook al ‘nooit sliep’, van het rechte pad van het geloof zouden afdwalen.

Nog verder op weg
In Amerika restte vaak nog een lange weg naar het uiteindelijke reisdoel. Wanneer men uit New York vertrok, reisde men per Amerikaanse trekschuit (in Amerika Canalboat genoemd) verder via het in 1825 geopende Erie-kanaal. Dit kanaal verbond de havenstad New York met de grote meren in het westen. Een landverhuizer schreef aan zijn in Nederland achtergebleven familie dat de tocht ‘langdurig’ was ‘ hoewel de boot door 2 paarden telkens bij verwisseling voortgetrokken wierd’. Was men eenmaal door het kanaal heen dan wachtte de landverhuizers nog een tocht per stoomschip over de wateren van de Grote Meren naar de staten Illinois en Wisconsin of via de Mississippi naar Michigan. Als de zuidelijke havenplaats New Orleans de plaats van aankomst was dan reisde men per Mississipi raderboot (paddle-wheel) naar Keokuk en vandaar verder over land.

Het vervoer over de Amerikaanse binnenwateren kreeg na 1830 steeds meer concurrentie van de Amerikaanse spoorwegen. Die waren steeds beter in staat de immigranten snel en goedkoop naar hun plaats van bestemming te brengen. 

Op zoek naar een woonplaats
De ongeveer honderdduizend Nederlanders die zich in de negentiende eeuw in Noord-Amerika vestigden verspreidden zich over het enorme continent. Vele immigranten vermengden zich met de reeds aanwezige immigranten en gingen spoedig op in de Amerikaanse immigrantensamenleving. Dat gold niet voor de immigranten die om religieuze redenen hun vaderland hadden verlaten. Zij vertrokken veelal als groep uit Nederland en bleven ook in Amerika als groep bijeen.

View Desktop Site