and Emigrants to America

Het klooster Jeruzalem

       Lees ook::
•–» De voorgeschiedenis
•–» De Kloosterman naam
•–» Het Jonkvrouwen klooster “Jeruzalem”

“dat velen dezer rijk met aardse goederen waren gezegend”

Miniature of the book’s author, Vincent of Beauvais, within a border containing the arms of Edward IV, to whom this manuscript belonged. Miroir historial, vol. 1 (Vincent of Beauvais, Speculum historiale, trans. into French by Jean de Vignay), Bruges, c. 1478-1480, Royal 14 E. i, vol. 1, f. 3
Dat ook Zeeland in de eerste Christelijke tijden zijn kloosters heeft gehad en “dat velen dezer rijk met aardse goederen waren gezegend”, bewijst ons de geschiedenis. De kloostergeestelijken wisten zich een goede naam te verwerven. Naast hun religieuze taak zullen zij zeker op sociaal en ander terrein goede werken hebben verricht en zo een gunstige invloed op de streek en de bevolking hebben gehad. De inkomsten van het klooster bestonden hoofdzakelijk uit de pachtopbrengst van de tot het klooster behorende landerijen.

Zo vloeiden hen dan ook in den loop der tijden verbazende schatten toe, die zij, tot vele goede doeleinden bezigden en waardoor Zeeland onberekenbare verplichtingen aan hen had. De uitgebreidheid der geestelijke bezittingen kunnen we nagaan als we weten dat Zeeland 15 kapittels en 56 kloosters bezat, zowel mannen -als vrouwenkloosters.

Onder de laatste behoorde ook het bovengenoemde klooster der Edele Jonkvrouwen te Biezelinge. Er zullen zeker verschillende redenen zijn geweest om dit klooster bij Biezelinge te bouwen. Voorzover bekend bestond er in de omtrek geen ander klooster, hetgeen een motief kon zijn, doch ook de omstandigheid, dat Biezelinge toen een goede haven had en een levendige handel o.a. met Vlaanderen en Brabant, terwijl daarnaast de streek zelf een welvarend landbouwgebied was, zullen belangrijk tot die keuze hebben bijgedragen. Ook n.l. de ligging op korte afstand van de kastelen Maelstede en Bruelis, was een garantie voor een veilig en rustig bestaan der kloosterbevolking.

Tijd van stichting

Dit vrouwenklooster, waarvan nu nog nauwelijks de plaats waar het eens stond, is aan te wijzen, moet zijn gesticht in de tijd, dat ook de kastelen Maelstede en Bruelis zijn gebouwd, waarschijnlijk in de eerste helft van de 13e eeuw (1240-1242)
Wanneer het klooster gebouwd is weet men niet precies, wel zijn tal van oorkonden bekend en ten dele bewaard gebleven uit de 13e en 14e eeuw, waarmee het bestaan van het klooster sedert het begin van de 13e eeuw zondermeer kan worden aangetoond.

Plaats aanduiding door G.J. Lepoeter
(Het huidige kadastrale nummer is sectie E. Nr. 1551-) De omschrijving van de hoek in de overlopers begint met perceel “2.0. aan de weg”,
ter grootte van 2 gemeten 76 roeden en eindigt met het perceel, steevast aangeduid als “de dreef tot de poort”, groot 1 gemet 72 roeden.
Het eerste perceel blijkt te zijn Nr. 215 op de kadastrale kaart, het laatste het langgerekte perceeloostelijk van de nummers 217 en 222 en westelijk van de nummers 208 en 209. De toegangsweg tot het klooster is hiermede duidelijk aangegeven.
Deze “dreef tot de poort” maakte altijd een geheel uit met het perceel nr. 207 en in alle overlopers sedert 1583 vinden we hiervoor dan ook steeds een eigenaar vermeld. Pas in 1938 is hierin een splitsing aangebracht.

Het klooster zelf stond op het Noordwestelijke deel van perceel 188, mogelijk nog voor een klein deel op het perceel 186.
In alle overlopers vanaf 1583 tot 1850 wordt een vrij groot perceel, n.l. 11 gemeten en 202 roeden, aangeduid als “de Poortmeet”.
Dit perceel komt ongeveer overeen met de nummers 180, 186 en 187, op de kadastrale kaart en lag dus vlak aan de poort van het klooster. Het is ter plaatse vrij duidelijk te zien; de ligging daar wordt bovendien bevestigd door de landbouwers, die vele jaren deze percelen hebben bewerkt.
Het klooster stond dus door de Vroonlandseweg, in verbinding met het dorp Kapelle en Slot Maelstede en door het Vrouwenweegje, (tegenwoordig het Jufferswegje) met Biezelinge en door de Koningsweg met Vlake.

Deze genoemde landbouwpercelen worden nog steeds de “Kloosterhoek” genoemd en het was hier, dat volgens de toenmalige eigenaar, J. de Roo omstreeks 1880 de paarden bij het ploegen in een put zakten, welke bij nadere beschouwing een grafkelder bleek te zijn geweest.

De bodemvondsten van het klooster “Jeruzalem “
Ds. Swalue, de Goese predikant die in 1843 de plaats van het voormalige klooster bezocht, trof zeer veel stenen in het bouwland aan. ‘Wij hebben’, zo zegt hij duidelijk de buitenste fundamenten kunnen opsporen, alsmede eenige binnenmuren”.
“De onderste laag daarvan bestaat uit tegels, op den kant gezet, en is vervolgens met grote bruine steenen gedekt, terwijl de muren zelve aan de buitenste zijde uit groene blinkende steenen schijnen opgetrokken geweest zijn”. “De omvang van het klooster is vrij groot, doch dewijl het buitenmuren schijnt gehad te hebben, is de grootte van het gebouw naar de fundamenten en den omvang van den grond niet te bepalen.” “Het is omgeven geweest met grachten, die nu gedempt zijn, doch de lage grond nog aanwijst.”

De groen geglazuurde bakstenen die Ds. Swalue vond worden nu ook nog wel in de omgeving van het Vroonland gevonden en zijn vermoedelijk afkomstig van een vroegere steenbakkerij, welke zich in dit gebied moet hebben bevonden.
Ook werd tijdens het ploegen gestoten op een grafzerk, welke in zeer goede staat verkeerde. De grootte was ongeveer 60 x 80 cm en langs de randen was aangebracht het grafschrift:

“Hier leit begraven Job Hoemaker die sterf
in de jare XVCLIV tich 21 augusti”

In het midden van de steen was een wapenschild gebeiteld met drie sterren en drie lelies.

Tekening van het klooster

Hoe het klooster er in werkelijkheid uitzag is niet met zekerheid te zeggen.
Wel bestaat er een afbeelding van, welke uit het jaar 1546 zou dateren en opgenomen is in Andries Schoenmaker’s beschrijving van Zeeland:

“Het was een groot gebouw met flinken toren en omringd door een hoogen muur, waaromheen een vest of gracht.”

Hieruit kan worden afgeleid dat het klooster een hoge toren bezat en door een gracht of een veste en een muur was omgeven

Volgens de overloper van 1703, bestond de gracht, die thans gedempt is nog in dat jaar, want daarin komt voor, dat de Weduwe Orliens verscheidene stukken grond bezat die aan of tegen de veste lagen.

Jerusalem-klooster-schoenmaker-atlas

De geschiedenis
Het eerste authentieke stuk van het klooster is een giftbrief van Wolfert van der Maelstede. Hij schenkt op 21 mei 1246, aan het vrouwenklooster Jeruzalem 25 gemeten land, vrij van lasten, gelegen in zijn ambacht bij Biezelinge. Ook vorstelijke personen steunden het met giften en legaten.
Onder hen waren: de Roomse koning Willem II, Floris de Voogd, Floris V, Jan I, gravin Aleida, graaf Willem III, hertog Aelbrecht en keizer Karel V, Edelen en edelvrouwen deden verder eveneens schenkingen aan het klooster.

De voornaamste beschermers waren en bleven steeds de heeren van der Maelstede.

Aanvankelijk zoekt het klooster aansluiting bij de orde van Citeau, enkele jaren later worden pogingen ondernomen tot opname in de orde van Sint-Victor (van Parijs). Tussen 1248 en 1255 moeten deze pogingen met succes zijn afgerond en vanaf die tijd kan men spreken over het Victorinnenklooster Jeruzalem te Biezelinge.

De orde van Sint-Victor was, hoewel minder elitair, evenals de orde van Citeau een toonbeeld van strengheid en tucht.
Het aantal bewoonsters van het klooster is vrijwel steeds bescheiden te noemen, zeker na de bloeiperiode tot 1279.
De meeste kloosterzusters waren afkomstig uit Zeeland, er waren zeker dames van adel, soms van hoge adel, onder de nonnen maar ze schijnen lang niet altijd de meerderheid te hebben uitgemaakt van het Biezelingse convent.

Het toezicht op het klooster evenals de bevoegdheid om naar eigen inzicht in vele zaken handelend op te treden, blijkt na 1279 toen de abt van Sint-Victor uit Parijs overkwam ter gelegenheid van een abdis-verkiezing, te berusten bij de bisschop van Utrecht. Hoe hoog zij stonden aangeschreven bleek in het jaar 1279, toen door de Augustijner Orde, een klooster te Antwerpen gesticht zou worden.

Aan de Abdis te Biezelinge werd daartoe verzocht enige nonnen aan te wijzen, die zich met die stichting zouden belasten.
M. Smallegange vermeldt er in zijn “Cronyk’. het volgende van:

Het klooster van Sint Margrietendale, tot Antwerpen buiten St. Jorispoort gelegen, is begonnen in ’t jaer 1279, uit begeerte des Capittels, Schepenen en Raedsluiden der Stad Antwerpen, als blijkt uit eenen Brief des Officiaels des Bisdom van Utrecht, die door het aansoeken der voorgenoemde, bid, versoekt en gebied aan D’ Abdisse van Bieselingen in Zuid-Beveland, dat sij Vrouwe Beatrix van Everingen, Dirwigis de Berlanda, Adelis van Schore, Catharina van Koudekerke en Clara van Hoedekenskerke, den arbeid gewillig sou ondergaan, van dit Klooster te beginnen, waertoe haer een Capelle wierd gegeven, St. Willeboorts genaemt bij Antwerpen gelegen, met al deszelfs toebehoren, de brief is van dato 1279, op Onse Lieve Vrouwen Hemelvaertsavond.

In 1229 blijken ernstige misstanden in het klooster Jeruzalem te hebben geheerst. Er is sprake van de gewelddadige dood van twee personen en het interdikt wordt afgekondigd. Herwijding van de kloosterkerk is noodzakelijk vooraleer de diensten kunnen worden hervat.

Ook in 1502 moet een “visitator” namens de bisschop van Utrecht corrigerend optreden:

Onbevoegden hebben de nacht in het klooster doorgebracht. Kloosterzusters hebben bruiloften en kermissen bijgewoond, geld en goederen in bezit gehouden en schulden gemaakt, gereisd, over elkaar kwalijke getuigenissen afgelegd, zich van het gezag van de priorin niets aangetrokken. Kortom er is “veel scande, opsprake en infamie” ontstaan.

De veronachtzaming van de kloosterregels die toen plaats vonden in het Biezelingse klooster moeten niet gezien worden als een incident maar in het kader van de crisis die de gehele orde van Sint- Victor in de late 15e eeuw doormaakte.

De naam Kloosterman
In 1579 toen het klooster al niet meer als zodanig dienst doet, maar de opbrengst van het verpachte land ten goede komt “aen den gemeene saecke” telt men 385 gemeten. In dat jaar zijn er 48 pachters. Jan Claesz. schout van Kapelle heeft 113 gemeten in pacht en is verreweg de grootste pachter.
Ook in het jaar 1583 is Jan Claesz nog schout, zijn broers Yeman Claesz. en Anthonis Claesz, die als pachters en eigenaars van landerijen in de buurt voorkomen. Yeman was bovendien de laatste rentmeester van het klooster. Een zoon van Jan Claesz. -Cornelis Jansz. -is in 1597 pachter van het klooster. Cornelis Jansz. die in zowel kerkelijke als gerechtelijke archieven uit 1618 genoemd wordt.
Cornelis Jansz. op ’t Clooster Cornelis Jansz. Clooster

Op ’t Clooster dient letterlijk te worden opgevat. In de rekening van Floris Schaek over 1579 komt Jan Claesz. voor als;

“wonende op de stede van ’t voorzeide clooster”.

In de directe nabijheid van het klooster stond dus waarschijnlijk een hofstede die intact gebleven was. Zijn nakomelingen hoewel ze geen kloosterland pachtten worden Cloosterman en later (:t1750) Kloosterman genoemd.
Zo ontwikkelt de naam Cloosterman zich van woonplaatsaanduiding tot naam.

Boerderij’ ‘Kloosterhof’
De boerderij stond namelijk op het, in de overlopers vanaf 1583 met “hof’. aangeduide perceel met een grootte van 196 roeden, op de kadastrale kaart corresponderend met nr.183; aan het eind van het jufferswegje, tegenover de hoofdstraat van Biezelinge. (zie kaart nr .1)
Reeds in 1583 was dit de vestigingsplaats van Jan Claesz. en in 1618 van Cornelis Jansz. Cloosterman.

Vlak achter de boerderij, op de kaart het perceel nr .185, lag het schuttershof van het Sint Jorisgilde, het schuttersgilde van Biezelinge.
Gedurende de laatste anderhalve eeuw werd Kloosterhof steeds bewoond door een aantal generaties van de landbouwersfamilie de Roo.
De schuur werd in 1877 en het woonhuis in 1906 geheel vernieuwd, zodat van de oude vorm niets terug te vinden is.
Momenteel bewoont de familie Gijzel deze boerderij en ook nu werd er veel aan onderhoud gedaan o.a. een nieuw dak op de schuur, andere schuurdeuren en de houten draagbalken werden verstevigd.

Dit was ook de plaats waar de Johannes Zandee * in 1923 tijdens het werken op de hooizolder dodelijk verongelukte, hij viel van de bovenste hooizolder af, dwars door zolder boven de koeienstal op de stenen vloer. Aangezien het hout van de zolder zo slecht was, en de koeien niet op stal stonden werd deze val fataal.
Vermeldenswaard is nog dat op het woonhuis van Kloosterhof, sedert 1840 de torenhaan van de in dat jaar afgebroken toren van Eversdijk heeft gestaan. Enkele jaren geleden is deze torenhaan spoorloos verdwenen. (* = zie ook bijlage nr .2)

Het einde nadert
Over het einde van het Victorinnenklooster Jeruzalem, (in de begintijd van de Tachtigjarige Oorlog), doen vele niet geheel juiste verhalen de ronde. Het jaar 1566 (beeldenstorm) was in Zuid-Beveland betrekkelijk rustig voorbijgegaan.
In de zomer van 1572 landden de Watergeuzen vanuit Vlissingen op Zuid-Beveland en belegerden Goes dat verdedigd werd door een bezetting onder bevel van de Spanjaard Isidoro Pancheta.

Gedurende drie maanden stond het platteland rondom Goes bloot aan de willekeur van de rebellen onder leiding van Jerome Seraerts.
Er vonden vernielingen en brandstichtingen plaats. In die tijd moet ook het Biezelingse klooster gehavend en geplunderd zijn, hoewel ook de tand des tijds de gebouwen van het klooster niet onberoerd gelaten hebben.
Misschien hebben de vier nonnen die op dat moment het klooster bewoonden bescherming kunnen vinden in de omgeving.

Na het ontzet van Goes door Mondragon keert de oude toestand weer terug. Misschien hebben de vier kloosterzusters nog op het deels door verwoesting, deels door ouderdom vervallen klooster gewoond, maar niet voor lang.
Voor 1576 incorporeert de Middelburgse bisschop Jan van Strijen, die geen inkomsten had uit zijn bisdom omdat Walcheren Calvinistisch geworden was, het klooster Jeruzalem en brengt de nonnen onder dak bij verschillende conventen in Brabant en elders.
Op 22 maart 1577 stellen Goes en Zuid-Beveland, door de opstandelingen rondom economisch geïsoleerd, zich onder de Prins van Oranje.
Hierbij weet men te bedingen dat de katholieke eredienst de enig gedulde blijft.

In 1578 blijken de vier Victorinnen op eigen houtje teruggekeerd te zijn naar Goes.
Ze kunnen onbezorgd genieten van de inkomsten van de klooster-landerijen, immers de Middelburgse bisschop verloor zijn rechten toen Zuid-Beveland zich onder de Prins schaarde.
In de zomer van 1578 moeten de restanten van de kloostergebouwen verkocht zijn. Daartoe had de priorin Cathelina Meskens toestemming gekregen van haar vicaris generaal.

In het late najaar van 1578 wordt in Zuid-Beveland de katholieke eredienst vervangen door de protestantse, in dit jaar werd voor Kapelle en Biezelinge een predikant benoemd. De hervormd geworden parochiekerken blijven in het bezit van hun goederen en de bezittingen van Jeruzalem komen onder beheer van Floris Schaek, hij is baljuw van Goes, en treedt op als “gecommitteerde ter annotatie van de geestelijke goederen” Hoewel de priorin en de conventualen van Jeruzalem pogingen ondernemen, doormiddel van verzoeken aan Willem van Oranje, slagen ze er niet in om opnieuw in het bezit van hun goederen te worden gesteld. Wel kunnen ze voortaan een alimentatie ontvangen.

Het klooster wordt gesloopt en de kloostergrond komt “aen den gemeenen saecke” De priorin Cathelina Meskens vertrekt, (of vluchtte) ongeveer eind 1578, na haar medezusters te Goes overleeft te hebben, medenemende de documenten en alle belangrijke archiefstukken in afwachting van rustiger tijden naar het Victorinnenklooster Sint Margrietendale te Antwerpen.
Volgens de legende vluchtten zij door den onderaardse gang, die het slot Paukjes met het klooster verbond, naar dit kasteel en vandaar naar de Schelde, waar een schip gereed lag om haar over te brengen naar Antwerpen.

In de “Cronyk” van Smallegange wordt een lange, maar niet volledige opsomming gegeven omtrent de inventaris van het klooster: (hieruit een klein gedeelte)

Register en den Inventaris van de bescheiden des Kloosters van Jeruzalem buiten Bieselinge in Zuyd-Beveland, tesamen bevonden in een kistken van houte, met drije sleutelen gesloten ende met ijsere banden beslagen, in ft Klooster van Sinte Margrietendale te Antwerpen gebragt bij Vrouwe Cathalina Meskens, die de laetste Vrouwe is geweest des Kloosters Jeruzalem voorseit, en alle hare Religieuzen overleeft heeft, gestorven tot Antwerpen, den 17e dach van January 1612.

En nu vandaag ?

Een citaat van Bijlol de romantische kronikeur van Kapelle en Biezelinge:

“Waar eenmaal de litanien der aan God gewijde maagden ten hemel stegen en waar alleen de gewijde stilte des kloosters werd verbroken door een lied of gebed, dondert en suist thans de spoortrein voorbij en overheen. In die zelfde gewijde aarde, die eenmaal het stoffelijk overschot van vele edelvrouwen in haar schoot opnam, groeien thans aardappelen en bieten.”

” Sic transit gloria mundi “
(Zo eindigt de roem van de wereld)

Bronnen:
Uit de boeken:
Cronyk van M. Smallegange
Kroniek van Kapelle & Biezelinge -J. Bijlo
Nonnenklooster Jeruzalem -Ds. Swalue
Zuid-Beveland -Dekker
Bewerking: – Cees Kaijser, Jos Kiser, Cees Kloosterman.

Source picture: Wikipedia
Picture(s) is/are a file(s) from the Wikimedia Commons.
Commons is a freely licensed media file repository.