and Emigrants to America
Mobile Menu

Bestuur en rechtspraak

       Terug naar:
•–»  Index van alle bijlagen

       Lees ook::
•–» De voorgeschiedenis
•–» De Kloosterman naam
•–» Het Jonkvrouwen klooster “Jeruzalem”

In het begin van de genealogie van de familie Kloosterman komen we verschillende personen tegen die in hun woonplaats het ambt van “schout” of “schepen” bekleedden. Een schepen was voorheen wat thans de wethouders zijn, de schout is dan de burgemeester.

The king of Navarre (Charles II the Bad) having the leaders of the Jacquerie executed by beheading. From the Chroniques de France ou de St Denis, BL Royal MS 20 C vii f. 134vSchout of Schepen 
Schepenen vormden in Holland gedurende de Middeleeuwen samen met de schout – die als vertegenwoordiger van de graaf optrad – de stadsregering. In de loop der tijd kwamen daar in Dordrecht ook raden, burgemeesters en thesauriers bij. Schout en schepenen bestuurden een gemeente maar werden niet, zoals thans gemeenteraadsleden, door de bevolking op democratische manier gekozen. Democratie is een vrucht van de Franse Revolutie en doet pas zijn intrede na de Franse overheersing van ons land. Het eigenlijke dorpsbestuur in de tijd van de Republiek lag in de handen van de ambachtsheren en een ambacht of ambachtsheerlijkheid was het gebied dat zij bestuurden en waar zij verantwoordelijk voor waren n.l. voor de rechtsorde. De schout werd rechtstreeks door de graaf aangesteld.

De zeven – vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw negen – schepenen werden sinds circa 1200 door de graaf gekozen uit een aantal hem door de burgers uit hun midden voorgelegde personen. Deze personen moesten in de stad wonen, gegoed zijn en een minimumleeftijd (meestal zo rond de 25 jaar) hebben. Ook wettige geboorte en onbesproken gedrag werden als eis gesteld. Geestelijken en personen uit het gevolg van edelen, behalve dat van de graaf, mochten geen schepen worden. Men vond het overigens meestal geen onverdeeld genoegen om schepen te zijn. De werkzaamheden waren tamelijk tijdrovend en er stond geen salaris tegenover. Het was daarom noodzakelijk dat men een kapitaalkrachtig persoon was. 

De belangrijkste taak der schepenen was de rechtspraak. Recht werd gesproken in nauwe samenwerking met de schout, die zelf geen stem had. Hij fungeerde als voorgeleider, rechtzoeker en uitvoerder van de vonnissen. De schepenen deden uitspraak in alle geschillen en over alle soorten misdaden en waren gerechtigd alle soorten straf, van boete tot doodstraf, op te leggen. Ook stelden zij keuren (stedelijke verordeningen) vast en lieten deze afkondigen van het stadhuis en registreren in de keurboeken. 

Langzamerhand kregen ze ook te maken met de voluntaire rechtspraak. Dit hield in dat ze optraden als officiële getuigen bij het passeren van privaatrechtelijke akten, zoals bij het overdragen van onroerende goederen. Ze kregen daarmee dus de functie die later de notarissen vervulden. De schepenen noteerden deze transacties in transportregisters en gaven aan de partijen als bewijs door hen gezegelde oorkonden af. Er waren meestal drie of vier schepenen betrokken bij dergelijke handelingen. De indruk bestaat dat ze in volgorde van anciënniteit van links naar rechts zegelden. 

Het is trouwens onder invloed van de geldingsdrang van de schouten dat de overheid zich meer en meer is gaan bemoeien met de rechtspleging van haar onderdanen. In de middeleeuwen bestonden er immers twee vormen van rechtspraak. Behalve de openbare rechtsprocedure die door de schout werd ingesteld bestond er ook een private of “accusatoire” rechtsprocedure. 

Een schepen was voorheen wat thans de wethouders zijn, de schout is dan de burgemeester. Heel vroeger in de middeleeuwen had je de vierschaar in wat toen sinds Germaanse zeg de “Frankische” tijden (8ste eeuw) de “Ambachten” waren, dat waren dorpsgemeenschappen, waar een regionale heer vaak de “graaf” als leenheer, de lenen uitgaf aan leenmannen, dit werden de ambachtsmannen (de latere baronnen) er was weinig geld, maar ze hadden wel mensen nodig die bepaalde werkzaamheden voor ze deden, zoals het innen van belastingen toen tienden genoemd. 

Ambachtsheer
Een ambachtsheer was met de taak door de Grafelijkheid (de Staten van Zeeland) beleend en had dus plaatselijke regeermacht en bevoegdheid tot rechtspraak. Het ambachtsheerlijk recht, dat los stond van het eigendomsrecht op de grond, was erfelijk en kon ook worden verkocht. De ambachtsmannen gaven een klein penningleen uit aan bepaalde plaatselijke inwoners, dat werden de achterleenmannen van de graaf, zij stonden hun heer met raad en daad terzijde (letterlijk met het zwaard in de hand), als beloning mocht zo iemand zich dan verkiesbaar stellen voor de vierschaar, zij werden ook van belasting betalen vrijgesteld.
Deze vierschaar had toen ook een juridische functie en moest met de Baljuw rechtspreken, daarvoor koos deze elk jaar 25 mannen uit (ook welgeboren mannen genoemd) en daaruit werd dan de vierschaar voor de tijd van een jaar aangewezen. In de late middeleeuwen was dit geworden tot een geboorteklasse. Daarna kon je slechts aan dergelijke functies als schout en schepen zien dat ze deel uitmaakten van die welgeborenen geboorte klasse ook wel edelen genoemd. Hoewel, de laatste boeken hebben het weer over een “Staet”, denk dan ook aan Estate in het Engels of State in het Fries. 

Baljuw
Baljuw was de naam die hoofdzakelijk in Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland, en in Noord-Frankrijk werd gebruikt om de ambtenaar aan te duiden die tijdens het ancien régime de vorst in de steden en landelijke gebieden vertegenwoordigde. In andere noordelijke gewesten voerden soortgelijke functionarissen de titel van drost, drossaard, amman, meier, schout, enz. … Het woord baljuw (Frans bailli, Engels bailif, …) is, via het Oudfranse baillif, afgeleid van het (middeleeuws) Latijnse baillivus of bajulivus = persoon belast met bestuursfunctie, op zijn beurt afgeleid van bajulare = torsen, dragen. 

Tegenwoordig worden de namen baljuw, drost en schout door elkaar gebruikt. Alledrie betreffen ze een functie die vergelijkbaar is met een soort samenvoeging van hoofdcommissaris van politie en officier van justitie. Tot de 16de eeuw was de baljuw de plaatsvervanger van de graaf en namens hem verantwoordelijk voor de rechtspraak in de grafelijke gebieden, waaronder ook het Haagse hofgebied. In Den Haag was de baljuw ook lange tijd voorzitter van het stadsbestuur, de magistraat, die bestond uit enkele schepenen plus een schout. Na de 16de eeuw vallen de beroepen baljuw en schout samen. De baljuw is dan het hoofd van de stedelijke politiemacht en treedt op als aanklager, aan het Hof bekleedde de procureur-generaal, later fiscaal genoemd, deze functie. De baljuw werd in Den Haag bijgestaan door twee onderschouten, één voor Scheveningen en één voor Den Haag. De procureur-generaal werd geholpen door de drost. 

De vierschaar 
Bron: Jan Peeters, Koninklijke heemkundige kring “Die Swane” De onderstaande deelteksten over de Vierschaar, accusatoire procedure en de Godsoordelen zijn kopieën van zijn teksten uit het Swanekoeriertje van 2001.

Het woord vierschaar dekte in de middeleeuwse rechtsterminologie meerdere begrippen. Allereerst werd ermee bedoeld de plaats van de terechtzitting. Het verwees ook op de vier banken die er werden opgesteld: één voor de schout, één voor de schepenen of rechters daartegenover, één bank links voor de aanklager of eisende benadeelde en één bank rechts waarop de beschuldigde of verweerder plaatsnam. Vierschaar is ook nog bedoeld als synoniem van de zitting zelf. 

De accusatoire procedure 
De accusatoire rechtspraak werd toegepast van in de Frankische periode, sinds de 5de eeuw tot aan het begin der 14de eeuw voor alle mogelijke graduaties van criminaliteit. Ze verloor vanaf die tijd haar belang en aanwending, doordat de ambtsrechterlijke vervolging meer en meer opgedrongen werd. Dat was vooral het geval bij de serieuzere wetsovertredingen, die tot lijf- en doodstraf konden leiden. 

Deze private actie werd ondernomen door de benadeelde persoon zelf, waarbij de schout geen eigen initiatieven nam om de rechtsorde te bewaren of te herstellen. De schout speelde in dergelijke rechtsgang een ondergeschikte rol en verleende bijstand aan de aanklager die het initiatief nam tot het instellen van de gerechtelijke procedure. Ingeval het eigen poorters of ingezetenen betrof, gold de oude traditie die stelde: Als er geen klager is, dan is er ook geen rechter. De schout ondernam alleen stappen tot vervolging wanneer het misdrijven betrof van vagebonden en lieden van “laag allooi”. 

De private accusatoire rechtspraak was dus een doe-het-zelf methode en werd volledig mondeling gevoerd zonder dat er schriftelijke notulen of uitspraken werden opgetekend. Het voeren van deze procedure vereiste stipte naleving van formele pleegvormen en formuleringen. De procedure werd in het openbaar gevoerd. Schout en schepenen onderzochten de zaak pas na een klacht en gaven naderhand op grond van de vaststellingen een uitspraak. 

De aanklacht van een eerbaar man was voldoende om iemand te verplichten zijn onschuld te bewijzen of te doen blijken. Niet de aanklager moest de schuld van een verdachte bewijzen, maar de beschuldigde moest zijn onschuld bewijzen. Nadat de aanklager zijn bewijzen had ingeleverd, trad de gerechtsdienaar op om in het publiek getuigen te verhoren. Na deze verhoren mocht op zijn beurt de beschuldigde getuigen naar voor brengen die hem konden ontlasten. Het debat geschiedde op voet van absolute gelijkheid. 
Indien er geen volledige klaarheid ontstond betreffende de kwestie en wanneer de beschuldigde zijn onschuld niet naar behoren kon staven, kon hij een eed zweren op zijn onschuld. Hij mocht zelfs gebruik maken van eedhelpers of medezweerders. Deze personen hadden betreffende de ten laste gelegde feiten niet noodzakelijk iets te getuigen, maar moesten alleen met hun waardigheid van persoon en op gezag van hun woord de eed van de beschuldigde kracht bijzetten. 

De Godsoordelen 
Naast de getuigen en de eedhelpers speelden de godsoordelen een aanzienlijke rol bij de accusatoire rechtsprocedure. Indien de beschuldigde de rechters niet op voorgemelde wijzen wist te overtuigen, kon hij een beroep doen op het oordeel van God zelf. Hiervoor waren meerdere proeven in gebruik. 
Bij een lijkoordeel moest de beklaagde bij het lijk van de vermoorde komen en de wonden kussen of aanraken. Vloeide er dan bloed of bloedwater uit de wonde dan had God tegen hem beslist en was hij schuldig. Bij het godsoordeel van het “gewijde bijten” moest de beschuldigde een stuk geheiligd brood inslikken. Indien hij erin slaagde om het in zijn geheel in te slikken bleek daaruit dat hij onschuldig was. 
Bij de kruisproef moesten aanklager en beschuldigde met gestrekte armen blijven staan, totdat één van hen beiden de armen moest laten zakken, waardoor diens ongelijk vaststond. 

De heetwaterproef bestond erin om een steen uit een met kokend water gevulde ketel te nemen. Insgelijks was de heetijzerproef waarbij de verdachte een gloeiende staaf met de hand diende op te pakken en enige meter te vervoeren. Wie drie dagen na deze vuuroordelen ongedeerde handen kon vertonen was onschuldig. 

Indien er een misdaad was gepleegd waarbij de schuldige zich in een groep personen bevond, kwam men op de proppen met een lotingsproef. De namen van alle verdachten schreef men op stokjes die in een busseltje werden neergelegd op een altaar. Daaruit werd er een stokje getrokken en de daarop vermelde persoon was de dader. 
Het meest gekende en oudste godsoordeel was het gerechtelijk tweegevecht. De beschuldigde daagde dan de aanklager uit tot een gevecht met gelijke wapens. De winnaar van de kamp kreeg dan gelijk. 

De Godsoordelen verloren hun belang in de late middeleeuwen doordat er uiteraard veel kritiek en spotternij ontstond op dergelijke taferelen. Al te veel was de rechtspraak een loterij gebleken waarbij daders van misdrijven de dans ontsprongen, terwijl onschuldigen als criminelen veroordeeld en gestraft werden. Rond 1400 kwam het godsoordeel praktisch niet meer voor, alhoewel nog in de 17de eeuw een soortgelijke proef in zwang kwam waarbij de van hekserij beschuldigde vrouwen gebonden in het water werden gegooid om vast te stellen of ze al dan niet heks waren. Als ze zonken en daarbij mogelijk verdronken waren het zeker geen heksen, aangezien toverkollen en tovenaars volgens de toenmalige gedachtegang lichter waren en niet konden zinken en uiteraard ook niet konden verdrinken. De onschuldige sukkel had veel kans te verzuipen terwijl de “echte” heks dan de pech kende om geroosterd te worden op de brandstapel.

Straffen
Over het algemeen werd er trouwens streng gestraft. Weliswaar vonnisten de schepenen vaak milder dan de eis van de baljuw: meer geneygt zijnde tot gracie dan tot streyngheyt van justicie. Ook toen gold dus al het bekende rijmpje uit later tijd: 

Wie wil stelen en niet wil hangen
gaat naar Goes en laat zich vangen;
want de heren van Ter Goes
zijn zo zacht als appelmoes.



Maar dan nog waren de straffen niet mals. De 11-jarige Hansken Broer had in de kerk bij een vrouw een fluwelen beurs met zilveren knoppen afgesneden. Regardt ende ansschouw nemende op de jonckheyt van zijnen persoen werd hij veroordeeld tot openbare geseling en aandekaakstelling en tot verbanning uit Zuid-Beveland voor de duur van vijftig jaar (288). 

Het kleine en het grote bestuur
Schout en secretaris waren in wezen de belangrijkste ambtenaren binnen de heerlijkheid. De schout werd aangesteld door de heer en verkreeg zijn inkomsten uit een vast traktement en een aantal neveninkomsten zoals een deel van de opgelegde boetes. De schout zat de schepenbank voor, was rechtsvorderaar en wees vonnissen. Op bestuurlijk vlak had hij onder meer als taken de ambtenaren te installeren en allerlei rekeningen te controleren. De voornaamste taak van de secretaris was het opstellen van alle akten van het dorpsbestuur. Hij kreeg voor zijn werkzaamheden een vast bedrag en daarnaast per opgestelde akte schrijfloon. 


De eigenlijke bestuurders binnen de heerlijkheid waren de schepenen. Zij werden door de heer aangesteld uit de gegoede families. Schout, schepenen en secretaris vormden het ‘kleine bestuur’. Het zogenaamde ‘grote bestuur’ bestond uit het kleine aangevuld met de zogenaamde ‘goede mannen’. Evenals de schepenen waren dit vooral leden van de beter gesitueerde families. Door het grote bestuur was er in zekere zin sprake van ‘volksinvloed’, maar dat verloor in de loop van de tijd steeds meer inhoud. Het dorpsbestuur had ook diverse ambtenaren in dienst. Zo waren de ijk- en keurmeester verplicht aanwezig op de markten en waren de apotheker, vroedvrouw en chirurgijn in dienst van het dorpsbestuur. De drie vorsters functioneerden als gerechtsbode en samen met de schutters zorgden zij voor de openbare orde. 

In Zeeland waren de ambachten tot in het oneindige splitsbaar. Daardoor waren er in een plaats meestal een (groot) aantal ambachtsheren, die dan collectief het overheidsgezag en de rechtsmacht uitoefenden. De omvang van de rechten van elke ambachtsheer afzonderlijk werd uitgedrukt in de “oppervlakte ambacht” die op zijn naam stond (zijn ambachtsportie).
Men kan het aandeel van ambachtsportionaris vergelijken met een aandeelhouder in een vennootschap. Hij was gerechtigd in een bepaald deel van het geheel. Het was gebruikelijk, hoewel niet wettelijk geregeld, dat een ambachtsheer pas stemrecht had in de vergaderingen als zijn ambachtsportie meer dan 100 gemeten bedroeg. De ambachtsheren vergaderden eens per jaar. Voor het afhandelen van kleine tussentijdse zaken werden commissarissen benoemd.

Na de Reformatie vertrokken een aantal Rooms Katholiek gebleven ambachtsheren naar de Zuidelijke Nederlanden en lieten hun belangen behartigen door rentmeesters. De andere ambachtsheren zaten veelal in de regering van naburige steden, of bekleedden posten bij de landsregering te Middelburg. 
Voor de daadwerkelijke uitoefening van het plaatselijk bestuur stelden de ambachtsheren schout en schepenen aan. De schout was de eigenlijke vertegenwoordiger van de ambachtsheren; zo trad hij bijvoorbeeld in diens plaats op als eiser in rechtszaken. 

Als schout werd vaak een boer benoemd, die pachter of zetbaas was van de belangrijkste ambachtsheer, zo kon deze steeds zijn invloed laten gelden. 
De schepenen vormden samen het plaatselijk gerecht. Zij werden, evenals andere overheidsdienaren en beambten, door de ambachtsheren benoemd. Ook Kerkmeesters werden benoemd door de ambachtsheren en op het benoemen van predikanten en het verkiezen van ouderlingen en diakenen oefenden zij veel invloed uit.

Pas in de Franse Tijd, in 1798, kwam een einde aan de grote invloed die de ambachtsheren op de totale samenleving hadden. Toen werden alle heerlijke rechten en titels afgeschaft.

Source: 
Picture(s) source: Wikipedia is/are a file(s) from the Wikimedia Commons.
Commons is a freely licensed media file repository.

View Desktop Site