and Emigrants to America

Verklaring voornamen

       Terug naar:
•–»  Index van alle bijlagen

       Lees ook::
•–» De voorgeschiedenis
•–» De Kloosterman naam
•–» Het Jonkvrouwen klooster “Jeruzalem”

Verklaring van frekwent voorkomende voornamen
           in de Kloosterman genealogie

Cornelis

Geslacht: m

In de vrouwelijke vorm komt de naam voor als o.a. Neelken, Neeltje

Verklaring:

De betekenis van de naam is niet zeker, hij wordt gewoonlijk in verband gebracht met Lat. cornu `hoorn’, dus `de gehoornde’. Deze opvatting vinden we al bij Plutarchus, `Quaestiones Romanae’, cap. 4. Wetenschappelijk is dit echter niet zeker. Cornelius was reeds de naam van een Romeinse gens (d.i. geslacht, familie), waartoe o.m. Cornelius Scipio, Africanus maior (de overwinnaar van Hannibal in 201 v. Chr.), behoorde. Een dochter van hem heette Cornelia. De naam kwam in de christelijke sfeer door Cornelius, genoemd in Hand. 10.

Als heilige kan vermeld worden paus Cornelius (251-253). Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een hoorn (cornu) in de hand. Op grond van zijn naam werd hij de beschermheilige van het rundvee (`hoorn’-vee). Kerk. feestdag: 16 sept. Een oud voorbeeld is: Cornelius, Rijnland 1173 (Littger); in Vlaanderen. komt de naam ook al in de 12e eeuw voor (Leys), in de 14e eeuw zijn er in Leuven al toenamen (evt. familienamen) van afgeleid. In het noorden komt de naam in de 15e eeuw pas sterker op, ook vrouwelijke vormen; in Frankrijk in de 16e eeuw.

In de 16e en 17e eeuw ging hij van Nederland over naar Engeland, doordat mensen die hier vrijheid van geloof hadden gezocht, naar Engeland terugkeerden. In bepaalde streken was Cornelius schutspatroon tegen de kinderstuipen, de convulsies, waarschijnlijk door associatie van de naam met het vreemde woord. Op Amager in Denemarken, waar zich vroeger veel Hollanders vestigden, komt de naam nog voor in de vorm Crilles en in de familienaam Crillesen. Vaak was er verschil tussen `boeren en burgers’ in dorpen: Knelis, Krelis of Nelis tegenover Cor of Kees. In de vrouwelijke vorm komt de naam voor als o.a. Neelken 

Adriaan

Geslacht: M

Grondvorm: Adrianus

In de vrouwelijke vorm komt de naam voor als o.a. Adriaantje, Adriana

Verklaring: 
Deze naam betekent `inwoner van, afkomstig uit Adria’, een plaats in de buurt van Venetië. Aan deze plaatsnaam ontleent ook de Adriatische Zee haar naam. Adria wordt in verband gebracht met Lat. ater `dofzwart, donker’, vanwege het donkere zand langs de kust van de Adriatische Zee. Hadrianus is de naam van een Romeinse keizer, wiens geslacht uit Hadria, in het landschap Picenum, afkomstig was (de h aan het begin van een woord is een zwak foneem dat in het Vulgairlatijn verdween). (H)adrianus is ook de naam van enkele pausen, bijvoorbeeld Hadrianus (Adrianus) VI (1522-1523). Hij was de eerste Nederlandse paus (geb. 1459 in Utrecht). 

Een andere vermeldenswaardige naamdrager is Hadrianus van Nicomedië. Hij was volgens een legendarische passio martelaar in Nicomedië tijdens keizer Maximianus; kerk. feestdag: 8 sept. In de middeleeuwen kwam de naam via Fra. naar Ndl. (Mansion 12): Odriana (988) (deze vorm misschien nog o.i.v een Germ. Od-naam). Adriaen(kin) Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere); Adryaen, Rotterdam 1426. Pas in de 15e eeuw wordt de naam populair; ook vr. vormen komen in deze eeuw in de mode, aanvankelijk bij de hogere standen, bijvoorbeeld jkvr. Adriana Say van Rosendael, kleindochter van Dirk van Wassenaar, echtgenote van Pieter II, Heer van Rhoon (1411-1455). Bij de burgerij komt de naam vooral in de 16e eeuw op.

Aernout

Grondvorm: Arnout

Geslacht: M

verklaring: 
Germ. naam met ongeveer de betekenis `als een adelaar heersend’. Uit aran- `arend, adelaar’ (zie arn-) en -wald `heersen’ (zie -wald-). Vroeger vond wel eens verwisseling plaats met Arnolf, Arnulf. De heilige Arnold kwam volgens de legende als citerspeler uit Griekenland aan het hof van Karel de Grote. Hij is begraven in Arnoldsweiler bij Düren; kerk. feestdag: 18 juli. Hij is patroon van de citermakers. Vanouds komt de naam hier voor in velerlei (evt. verkorte) vormen (moeilijk herkenbaar, bijv. Arnoldus dictus Eertken, Woensel 1480); een oud vr. voorbeeld is Arnolda d’Edel (Dedel), Utrecht ca. 1430 (Ned. L. 1963, 221); Aernoudyne, Brugge 1570 (Schouteet); de vr. vormen worden in de 16e eeuw frequenter.

Leendert

Geslacht: M

Grondvorm: Leonhard

Verklaring: 
Het eerste lid van deze Germ. naam is vermoedelijk aangepast aan het woord leeuw, Lat. leo, aangezien de Germ. dit dier oorspr. niet kenden (in de naam van de leeuw kon het symbool van de evangelist Marcus zitten). Ook is het mogelijk dat het oorspr. een Germ. stam lewa-, liwi- is met de betekenis `genadig’. Die stam kan later met `leeuw’ gassocieerd zijn op grond van de vorm. 

De naam ging dus betekenen: `sterk als een leeuw’ (-hard betekent `sterk’, zie -hard-). Reeds vroeg, in de 5e eeuw, komt deze Germ. naam voor. Men vindt hem ook al bij Gregorius van Tours, de Frank. geschiedschrijver uit de 6e eeuw (heilige). De populaire heilige Leonardus was in de 6e eeuw kluizenaar in Noblac bij Limoges. Zijn vermoedelijke sterfjaar is 539; kerk. feestdag: 6 nov. Zijn verering verbreidde zich in het begin van de 12e eeuw over W.-Europa. Bij ons komt de naam in de 14e eeuw op, maar pas in de 16e eeuw wordt hij werkelijk populair. Vr. vormen sinds de 2e helft van de 16e eeuw.

Dingenis

Geslacht: M

Verklaring: 
Dingenes, Dingenis en Dingenus komen voor op alle Ze. eilanden, behalve Tholen en St. Filipsland (Meertens, Zeeuwse familienamen 28). Vermoedelijk zijn het uitbreidingen van Dignus (zie Dignum), gezien: Dingenis = Dignus Corneliss., St. Maartensdijk 1599 (Ned. L. 1965, 279). Een soort overgangsvorm is Diggenus, Ze. 1712. De Ze. uitspraak is over het algemeen Diegenis, ook wel verkort tot Dienis. Zie ook Dingena.

Maarten

Geslacht: M

Grondvorm: Martinus

Verklaring: 
De bekendste variant is Maarten. De naam is van oorsprong een Oudlatijns cognomen (Lat. bijnaam, toenaam), vnl. van slaven, later vooral van martelaren. Het is de verkleinvorm van Martius `van Mars’, de god van de oorlog (Gri. Ares). De naam Mars hangt samen met Gri. marnamai `ik strijd’ en Arm. mart `strijd’ (zie ook Marcus). De naam werd in de middeleeuwen buitengewoon populair door St.-Maarten, geb. ca. 316. Waarschijnlijk was hij de zoon van een Romeins tribuun uit Pavia. Hij stichtte de abdij van Marmoutier, waar hij als bisschop van Tours (ca. 371) leefde. Op de verbeelding van het volk werkte vooral het verhaal over de helft van zijn mantel die hij, toen hij nog Romeins soldaat was, aan de stadspoort van Amiens aan een bedelaar gaf. Hij werd dé nationale heilige van Fra.; gest. ca. 397 en begraven in de St.-Maartensbasiliek in Tours; kerk. feestdag: 11 nov. Vele volksgebruiken herinneren nog aan zijn grote populariteit in de middeleeuwen. 

Ook verschillende plaatsnamen herinneren aan hem: St.-Maarten, St.-Maartensdijk, Maartenshoek. De Utrechtenaren werden vroeger St.-Maartensmannen genoemd. Martinus was de belangrijkste heilige in het middeleeuwse bisdom Utrecht, omdat St.-Willibrord (de eerste bisschop van Utrecht) het bisdom onder zijn bescherming stelde. Vóór 1200 waren al vele kerken aan hem gewijd. Een andere heilige van deze naam heeft zijn feestdag op 12 nov., nl. Martinus I, paus van ca. 649-655. Onder de Du. protestanten werd 10 nov. Martinstag, n.a.v. de geboortedag van Maarten Luther. Vgl. ook: Teake Marten Luther, Sneek 1969. De naam was al vroeg in de middeleeuwen populair: Martinus, Saargau 713 (Socin); Rijnland 2e helft 9e eeuw (Littger); Martinus kanunnik (?), Utr. 1118 (Gysseling, Overz. 10). Hij komt ook voor onder de chr. namen in West-Vla. in de 12e eeuw (Leys). Oudste voorbeeld in Holl. pas in 1551 (Van der Schaar). Martinus is dikwijls de r.k. vorm, bijv. ook in Bolsward (St.-Maarten is patroon van deze stad). Zie ook Martina.

Jan

Geslacht: M

Voorkomen: 
Ook Fri., Nederduits, Eng., Po. en Tsjech.

Verklaring: 
Wegens de grote frequentie van de naam Jan kwam het voor dat a.g.v. de strikte vernoemingsgewoonten (naar grootouders enz.) de naam in een gezin meer dan één keer voorkwam. Soms maakt men dan onderscheid door te spreken over Groot Jan en Klein Jan (in bijv. Ruinen maakt men in een familie of een buurt dit onderscheid nog). Zie ook Jongejan. Verder ontstonden, om verwarring te voorkomen, vooral in het o. van ons land dubbele vormen als Gerrit Jan (Aalten 1736), Hendrik Jan (1780), Jan Berend (1825), enz. (Gens N. XX, 315 vv.). Zulke combinaties werden in de laatste decennia een algemeen modeverschijnsel, dat aanvankelijk als deftig gevoeld werd. Jean gecombineerd met een andere naam kende men vroeger ook in het o. van Fra.: Jean Jacques, Jean Nicolas, Jean Paul enz.: ook nog in `t Bretons (Dauzat 70, 71). Jan ook eenmaal als vr. naam aangetroffen (geb. in de jaren vijftig of zestig). In Eng. landen komt Jan voor als verkorting van Janet.

Johannes

Geslacht: M

In de vrouwelijke vorm komt de naam voor als o.a.Janna

Verklaring: 
Hebr. Johanan `Jahweh is genadig’. Voor de populariteit van de naam komt in de eerste plaats in aanmerking Johannes de Doper (Luc. 1,15v. en Matt. 3 e.e.), geboortefeest op 24 juni (zie ook Baptist). Vervolgens noemen we de discipel van Christus, broeder van Jacobus (Marcus 1,19 e.e.), vanaf de 4e eeuw wordt hij `de theoloog’ genoemd; kerk. feestdag: 27 dec. Aanvankelijk was de naam Jo(h)annes vooral in de Oosterse Kerk populair, maar met de Kruistochten begon de naam in het Westen door te dringen. Daar werd het in alle landen al vroeg de meest voorkomende naam. Aanvankelijk werd de naam in de Lat. vorm Joannes gebruikt (de Gri. vorm is Ioannes). 

De vorm Johannes (onder invloed van het Hebr.) is sinds de Renaissance en Hervorming de meest gebruikelijke geworden. Vele heiligen hebben de positie van de naam nog versterkt, we noemen hier slechts enkelen: Joannes Chrysostomus, een van de belangrijkste Oosterse kerkvaders, geb. ca. 354 in Antiochië, aanvankelijk monnik en kluizenaar, in 398 patriarch van Constantinopel; gest. in 407; kerk. feestdag: 27 jan. Tot de ouderen behoort ook Joannes van Damascus, in 675 geb. in Damascus. 

Hij is bekend door zijn dogmatische geschriften; gest. 749; kerk. feestdag: 27 maart; Joannes van Nepomuk, hij werd van belang voor de Kerk in Oost-Europa, martelaar in 1393; kerk. feestdag: 16 mei (zie Nepomuk). In Du. kwam de naam op in de 8e eeuw: Johannes, Meerbach 730 (Socin); in Zuid-Ndl. in de 9e eeuw: Iohannus, in het jaar 829 getuige in Gent (Mansion). Het was een van de zeven chr. namen in de 9e eeuw in West-Vla. en in de 10e eeuw kwam hij zeven maal voor op 35 chr. namen (Leys 1958, 4). In Noord-Ndl. dateren de oudste voorbeelden uit de 12e eeuw: Iohannes, deken in Utrecht, 1116; Johannes de Hancvorde, cijnsplichtige in Berg, 1142/5 enz. (Gysseling 1966, 10). Zie ook Johanna, Hans en Jan.

Mattheus

Geslacht: M

Verklaring: 
Hebr. `geschenk van Jahweh’ (vgl. voor de betekenis Theodorus en Adeodatus). De vorm Mattheus is uit Gri. Matthaios (zie ook Matthias). In de bijbel komt de naam in vier vormen voor: in het O.T. als Mattanja (bijv. 2 Kon. 24,17) en Mattathias (1 Makk. 2,1), in het N.T. als Mattheüs en Matthias. Mattheüs is waarschijnlijk de toenaam van Levi, de tollenaar, die door Christus als discipel geroepen werd. Hij is een van de evangelisten. Volgens de traditie predikte hij in Ethiopië of in Parthië en Perzië; kerk. feestdag: 21 sept. 

De naam is sinds de middeleeuwen in gebruik: Martheus, Rijnland ca. 800 (volgens Littger 195 op grond van Mar- mogelijk nog een Germ. naam); Matheus Lotharingorum dux 1125 (Socin); Matheus, kanunnik van St.-Maarten in Utr. 1219 (Gysseling 1966, 10); Mahieu de Leyse (Mahieu was de Fra. vorm), Dordt 1385 (SRD). Een oud voorbeeld van een vr. vorm is Teuwerijna Brandwijck, geb. Dordt 1653 (Ned. L. 1966, 427).

Marinus

Geslacht: M

Verklaring: 
Lat. afleiding van mare `zee’, dus: `van de zee’. Heiligennaam, waaronder 1) St.-Marinus, een Romeins officier, gest. ca. 259 in Cesarea tijdens Valerianus; kerk. feestdag: 3 maart; 2) Aan een andere heilige van deze naam zou de republiek San Marino haar naam danken. Kerk. feestdag: 4 sept.; 3) Marinus en Anianus, afkomstig uit Ierland (7e eeuw). Zij predikten het geloof in Beieren; gest. 697; kerk. feestdag: 15 nov. 4) Ook waren er twee pausen van deze naam, de eerste was paus van 882 tot 884, de tweede van 942 tot 946. Zie ook Marina. De naam komt hier pas in de 16e eeuw in gebruik (o.i.v. Maria?). Oudste voorbeeld in Holl. is uit 1500. Pas in de 19e eeuw bijv. op Wieringen (Daan, 223).

Albrecht

Geslacht: M

Grondvorm: Adelbert

Verklaring: 
Algemeen voorkomende tweestammige Germ. naam met de betekenis `door adel schitterend’. Uit Adel- (zie adel-) en -bert, -brecht `glanzend, schitterend, stralend’ (zie -brecht-). Vgl. ook Abe en Age. Heiligennaam: 1) Adalbert, reisgenoot van Willibrord. Begraven in Egmond, daar op 25 juni vereerd; 2) Adalbert, aartsbisschop van Maagdenburg in de 10e eeuw; kerk. feestdag: 20 juni; 3) Adalbert, bisschop van Praag in 982, apostel van Pruisen, Bohemen en Hongarije; gest. 997; kerk. feestdag: 23 apr.

Jacob

Geslacht: M

Verklaring: 
Hebr. ja’aqob, van onzekere betekenis, maar in verband met de geschiedenis van Jakob en Esau, de zonen van Isaak, verklaard als `hij greep de hiel, hij verdrong (zijn broer), bedrieger’ (Gen. 25). De Gri. vorm werd Jakobos en daaruit ontstond Lat. Jacobus, daarnaast ook Jacomus. Uit de laatste vorm moeten de vormen met m (Eng. James, Spa. Jaime, Ndl. Jacomina enz.) verklaard worden. De naam kreeg reeds vroeg zijn grote populariteit door de twee apostelen van deze naam, vaak onderscheiden in major en minor, de oudste en de jongste of de meerdere en de mindere. De eerste was de zoon van Zebedeus en broeder van Johannes. Met Petrus werden zij wegens hun stormachtige ijver door Christus Boanérgas genoemd `dat is zonen des donders’ (Marcus 3,17). Zie ook Hand. 12, 1-3. Volgens een legende uit de 7e eeuw zou hij in Spa. gepredikt hebben en daar begraven zijn. Volgens een oude Spa. traditie werd zijn lichaam overgebracht naar Santiago de Compostela. Van de 10e tot de 15e eeuw was dit een van de beroemdste pelgrimsplaatsen in West-Europa. Die gaf aanleiding tot een grote verering langs de wegen daarheen. Ook ontstonden er sagen en legenden die weer invloed in de middeleeuwse literatuur hadden. Daardoor werd Jacobus zeer populair als heilige. Hij werd patroon van de pelgrims, schutspatroon in de strijd tegen de mohammedanen en uiteraard van Spa. 

De kerkelijke feestdag is 25 juli, een datum die in het volksgeloof een belangrijke plaats innam, bijv. als geluksdag voor het beginnen van de oogst. Jacobus minor, apostel, was de zoon van Alfeüs, vermeld in Marcus 3, 18. Men is het er niet over eens of hij dezelfde is als de Jacobus genoemd als broeder van Christus in Marcus 6, 3 (ook vermeld in Galaten 1,19 als broeder des Heren en in Galaten 2,9 als steunpilaar van de jonge gemeente). Volgens de traditie was hij eerste bisschop van Jeruzalem. Kort voor de joodse opstand in 66 na Chr. stierf hij de marteldood; kerk. feestdag: 11 mei. Zie ook Jacoba. De populariteit van de naam in West-Europa werd ook nog bevorderd dordat verscheidene vorsten hem droegen: koningen van Aragon (Jaime) en koningen van Eng. De naam is sinds de vroege middeleeuwen in gebruik. 

Oudste voorbeeld bij Socin: Straatsburg 749; Rijnland 2e helft van de 9e eeuw (Littger). In Holl. 1156; Coep, Arnhem 1353; Jacomaer, Dordt 1385 (SRD). Vanaf de 13e eeuw vormen als Coppa(e)rt. Fra. vormen: Jaecx, St.-Winoksbergen 1389 (Vla. St. II, 84); Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere): Jacob, Jacot, Jaquemijn; Jaques Masureel fs. Jacops (!), Brugge 1557 (Schouteet 99); Jaeques Martini, Breda 1585 (Ned. L. 1957, 172); Yakis Nauwens Schoonhoven 1636 (GHG); Jaecques Baert, Rotterdam 1644 (SR); Jacomo van Uffelen, Rotterdam 1844 (SR); Jaques van Sminia (Fri. adel), Utingeradeel 1652 (Ned. L. 1961, 436). Ontwikkeling van vr. vormen: Jacoba, Genève 1181 (Socin). In Fra. zijn sedert de 12e/13e eeuw vr. vormen aan te treffen (Dauzat 59), 13e eeuw: Jaqueta. Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere): Jaquemijne, Jaquemine en Jaquemijnkin. Jacob, hertogin van Beieren 1417 (RvR) (zie over het gebruik van jongensnamen voor meisjes/vrouwen: Van der Schaar 1953, 32 v.). Jacob Danielsdr. van Matenesse,1452 (Ned. L. 1965, 39); Jacopmijne, Den Haag 1527 (Ned. L. 1950, 48); Jaquemijne, Brugge 1550 (Schouteet 40); Jaquelyne, dochter van Boudewijn, heer van Rhoon, geb. Brussel 1552 (T. A. v.d. Vlies, `De eerste eeuwen van Rhoon’, 63); Jaexmyntgen, Dordt 1553 (GD 50); Jkvr. Jacquemine Cobrij, Brugge 1589 (Schouteet 35); Iacobtien, Medemblik 1590 (Belonje IV. 101); Jacqueline Robijns, geb. Meldert (Belg.) ca. 1605 (Vla. St. II, 102); Jakelijn, Jakeline Westerbaen, geb. Den Haag 1642, de moeder heette Jacolijn, resp. Jacobmina (Ned. L. 1962, 109). In Ze. kwam de vorm Jakelintge in de 17e eeuw voor.

Hendrik

Geslacht: M

Verklaring: 
Tweestammige Germ. naam, een van de frequentste Germ. namen. Het is moeilijk het eerste lid geheel bevredigend te verklaren. Namen met heim- (`heim, woonplaats, erf’, zie Heime) kwamen in het Germ. veel voor, hein- alleen in deze naam. Hij komt te vroeg voor om hem uit hagan te verklaren (zie hag- en vgl. E. Schröder, Deutsche Namenkunde, 119); het tweede lid betekent `machtig’ (zie -rik-). Na Hendrik de Vogelaar (gest. 938) is het een veel voorkomende Du. keizers- en koningsnaam. Zijn verbreiding heeft hij vermoedelijk gekregen door Hendrik II, de Heilige (1002-1024), stichter van het bisdom Bamberg in Beieren en van verschillende kloosters. In 1146 werd hij heilig verklaard; kerk. feestdag: 15 juli. In totaal zeven Du. keizers droegen de naam. Ook elders kwam hij als vorstelijke en aanvankelijk vooral aristocratische naam veel voor. In Fra. werd hij tegen het eind van de 10e eeuw geïntroduceerd door de hertogen van Bourgondië. Hij werd gedragen door vier koningen van Fra., voorts door vier van Castilië en door acht van Eng. Dit heeft tot de verbreiding en populariteit van de naam zeker veel bijgedragen. Ook in Ndl. is de naam vanouds populair, zonder dat hij aanvankelijk door heiligenverering gesteund werd. Vr. vormen zijn in Ndl. vanaf de 14e eeuw aan te treffen: Henrica; 16e eeuw: Hendriksken, Hendrickje; 17e eeuw: Hendrina; eind 17e eeuw: Henriëtte.

Leijn

Geslacht: M

Grondvorm: Gislenus

Verklaring: 
Vooral z. naam (m.n. in Ze.). In het w. van Brabant komt de naam vooral in protestantse gezinnen voor (bijv. in Standdaarbuiten). Vleivorm van een Germ. naam met gisil- `pijl’ (zie echter gis(el)- en Gijsbert). St.-Gislenus, apostel van Henegouwen, was volgens de traditie een Griek van geboorte. Hij stichtte een klooster in Ursidongue dat later St.-Ghislain werd genoemd; kerk. feestdag: 9 okt. Uit de frequentie van de naam in het z. blijkt dat St.-Gislenus al vroeg grote populariteit genoot. Zijn graf in St.-Ghislain (Gislen) werd veel bezocht. De naam kwam in Ndl. in gebruik in de 16e eeuw. In Kortrijk 1300-1350: Lein (Debrabandere). Eerste voorbeeld in Ze. is uit 1517; Dordt. 1582; Holl. 1622; Oterleek, Noord-Holl. 1593 (Van der Schaar). De Zaanse vorm werd Lijnst: Lijnst Teeuwisz. Rogge, eigenaar van de scheepswerf waar tsaar Peter de Grote timmeren leerde. De naam is nog in het geslacht Rogge in gebruik. Vroegere vr. vorm in Ze.: Jelijntje (Leintje, Lijntje is ook wel Leentje in Ze.)

Gerard

Geslacht: M

Verklaring: 
Tweestammige Germ. naam met de betekenis `sterk met de speer’, uit Ger- `speer’ (zie -ger-) en -hard `hard, sterk, stevig’ (zie -hard-). Heiligennaam: 1) Gerhard, geb. 935 in Keulen, in 963 gewijd tot bisschop van Toulouse. Gest. 994; kerk. feestdag: 23 apr.; 2) Gerhard van Csanád, afkomstig uit Venetië. In 1023 werd hij eerste bisschop van Csanád; gest. 1046; kerk. feestdag: 24 sept.; 3) Famianus, zijn eigenlijke naam was Gerhard, ca. 1090 geb. in Keulen. Leefde 25 jaar als kluizenaar in S. Placido in Spa. Gest. 1150; kerk. feestdag: 8 aug.; 4) Gerhard van Sauve-Majeure, geb. ca. 1025 in Corbie. In 1075 werd hij abt van St.-Vincent in Laon; gest. 1095; kerk. feestdag: 5 apr. en 13 okt.; 5) Gerardus Majella, geb. 1726 in Muroin Zuid-It.; gest. 1755 in Caposele, waar zijn graf een bedevaartsoord werd. Hij werd in 1904 heilig verklaard; kerk. feestdag: 16 okt. Voorzover de naam Gerard in Eng. voorkomt, is hij vnl. bij r.k. te vinden, vooral o.i.v. Gerardus Majella. In Ndl. is de naam vanaf de vroege middeleeuwen in gebruik.

Pieter

Geslacht: M

Grondvorm: Petrus

Verklaring: 
Van Gri. petra `rots’, als symbool van vastheid, betrouwbaarheid (vgl. Fra. pierre `steen’ en de Fra. vorm van de naam, Pierre). De discipel Sim(e)on ontving deze naam van Christus. Zie Matt. 16.18: `En ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen (…). Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen…’ Op grond van deze laatste woorden wordt Petrus vaak afgebeeld met sleutels in de hand en voorgesteld als wachter van de hemelpoort. Deze (bij)naam is een vertaling van Aram. kefa (Gri. Kèphas, Lat. Cephas, zie Cephas). Petrus was de eerste der twaalf apostelen. Volgens de overlevering was hij in 64 à 67 martelaar in Rome onder Nero. Volgens de legende werd hij gekruisigd met de armen naar beneden op een zgn. Petruskruis. Om de hierboven aangehaalde woorden van Christus wordt hij beschouwd als de eerste paus. Geen van de pausen na hem nam die naam aan, omdat het geloof ontstond dat een Petrus II de laatste paus zou zijn. De voornaamste feestdagen zijn: 18 jan., 29 juni (zie Paulus) en 1 aug. De naam was al vroeg in de middeleeuwen buitengewoon populair. Bij Socin: Saargau 847; Trier vóór 975 (Littger; blz. 192, sluit voor Petrus de mogelijkheid van aanpassing aan een Germ. naam niet uit); West-Vla.: 10e eeuw; Noord-Ndl. 11e eeuw. Vr. vormen kwamen ook al vroeg voor: Perreta, Freiburg 1152 (Socin); Petrissa, Rijnland 1005 (Littger). In Fra.: Perrotta, Perretta, sedert de 12e eeuw (Dauzat 59); Pironetta, dochter van Willem IV, graaf van Gulik, ca. 1306 (Ned. L. 1960, 220), Petra 15e eeuw, Pieterken Dordt 1537 (GD 93), Piertgen, Ze. 1603; Pietertien Zuid-Holl. 1678; Pietertje 18e eeuw. Vgl. voor de overgang van e: ie bijvoorbeeld Lat. remus: Ndl. riem. In de 16e/17e eeuw werd de naam in Fri. verfraaid tot Pyrrhus. De populariteit van de naam blijkt ook uit de opsomming Jan, Piet en Klaas en andere uitdrukkingen waarin hij voorkomt.

Nicolaas

Geslacht: M

Verklaring: 
Van Gri. nikè `overwinning’ en laos `volk’, de naam betekent dus: `overwinnaar met (of van) het volk’, vgl. voor deze betekenis Nicodemus. De Lat. vorm is Nicolaus. In Handelingen 6,5 komt de naam Nicolaus al voor als die van een van de zeven armenverzorgers. Zijn grote populariteit kreeg de naam in het Oosten en het Westen door St.-Nicolaas, bisschop van Myra in het z.w. van Klein-Azië; gest. ca. 350. Het meeste wat omtrent hem verteld wordt, is legendarisch. De figuur die in de legenden naar voren treedt, is eigenlijk een combinatie van de historische bisschop Nicolaas van Myra (uit de 4e eeuw) en de historische bisschop Nicolaas van Pinara in Lycië (gest. 564). De verering komt in de 6e eeuw in het Oosten op. In de 9e eeuw is St.-Nicolaas een van de belangrijkste heiligen, met Myra en vooral Constantinopel als centra van verering. Via Zuid-It. (toen nog Gri.) verbreidde de verering zich ook naar Rome en vandaaruit verder over W.-Europa. Daar werd deze heilige al spoedig populair. Vooral in de 10e en 11e eeuw werd hij beschermheilige van kerken. In het bisdom Utrecht vooral sinds de 12e eeuw, in Holl. ook sinds die tijd. De naam Nicolaas werd (in verschillende vormen) tegen het eind van de middeleeuwen een van de meest voorkomende namen. Doordat St.-Nicolaas o.m. patroon was van de schoolkinderen, werd hij de grote kindervriend. Verschillende gebruiken in verband met zijn feestdag op 6 dec. gaan terug op heidense gebruiken. De schimmel vinden we bijvoorbeeld al bij Wodan, onder de naam Sleipnir; het was een teken van hoge rang. De schoorsteen is de verbindingsweg van de gewone stervelingen, in het middelpunt van hun huiselijk leven, met de hogere wezens. Zwarte Piet is een schrikaanjagende geest of duivel, die echter steeds door St.-Nicolaas in bedwang wordt gehouden. Altijd komt de `goede heilige’ van verre, in ons gebied uit Spa. (Zie ook Schrijnen 1930, 147 v.). Niet alleen van de kinderen, maar ook van de zeelieden en de vissers is St.-Nicolaas patroon. Andere heiligen van deze naam zijn: pausNicolaas I, 858-867; Nicolaas van Tolentijn (Tolentino), gest. 1305; kerk. feestdag: 10 sept. Zie ook Nils en Coleta.

Anthonie

Geslacht: M

Variant van: Antonius

Verklaring: 
Lat. naam waarvan de betekenis niet bekend is. Hij werd reeds gedragen door een bekend Romeins geslacht, bijv. Marcus Antonius. Mede door de kruistochten werd de naam in het westen populair door: 1) St.-Antonius, de befaamde Egyptische asceet in de woestijn, beschouwd als de grondlegger van het monnikenwezen; gest. 356; kerk. feestdag: 17 jan. Zijn verering werd in het westen vooral verbreid door de orde van de antonieten (1095), stichters van hospitalen; hij is schutspatroon van Italië en patroon tegen besmettelijke ziekten (vgl. st.-antoniusvuur). 2) St.-Antonius van Padua (1195-1231), een groot redenaar (over hem gaat de legende van St.-Antonius die voor de vissen predikte) en kerkleraar, vooral patroon voor het terugvinden van verloren zaken (‘Sint Antonis beste vrind, maak dat ik mijn … weer vindt); kerk. feestdag: 13 juni. Bij Socin niet vóór 1240; Rijnland: 1115 (Littger); Antonius, kanunnik in Deventer 1195 (Gysseling); Tonys, Dordrecht 1284 (SRD). Vr. vormen: Toentyen, Dordrecht 1498; Toenken, Dordrecht 1543; Antoinette, Antwerpen 1584 (Ned. L. 1985, 347); Tonijntje, Leiden 1607; Anthonette, Den Haag 1622. St.-Antonius, St.-Teunis (17 jan.) `brengt ijs of dooi’.

Gijsbrecht

Geslacht: M

grondvorm: Gijsbert

Verklaring: 
Tweestammige Germ. naam, waarvan het eerste lid verkort is uit gijzel, Middelnederlands ghîsel (verwant met het woord gijzelaar). De betekenis is `kind van voorname ouders, van edele afkomst’. Het kan ook verwant zijn met Longobardisch gisil `pijl’, Kelt. *gaiso- (zie gis(el)-). Zie voor het tweede lid -brecht-. Evenals bij andere namen op -bert komt hier de verkorting Bert voor.

Domus

Geslacht: M

grondvorm: Damasus

verklaring: 
De naam is afgeleid van Gri. damazein `temmen, bedwingen’ en betekent dus `de bedwinger’. De heilige Damasus was paus van 366-384. Tijdens zijn regering kreeg zijn secretaris, de heilige Hieronymus, opdracht de authentieke Lat. bijbeltekst, de Vulgata, vast te stellen. Naar hem is de Cortile di San Damaso van het Vaticaans paleis genoemd. Kerk. feestdag: 11 dec. In de middeleeuwen was de naam hier vrij populair, vooral frequent vanaf het eind van de 13e eeuw. De resten van die populariteit vindt men nog op het Zuid-Holl. platteland en in Ze. (bijv. Zuid-Beveland).

Laurus

Geslacht: M

grondvorm: Laurentius

verklaring: 
Lat. `uit Laurentum’, een stad in Latium. De naam wordt ook in verband gebracht met laurier, dus `de gelauwerde’. Er zijn verschillende heiligen van deze naam, van wie vooral belangrijk is: St.-Laurentius, diaken van de kerk in Rome, onder keizer Valerianus in 258 gevangen genomen en gemarteld. Kerk. feestdag: 10 aug. In het hele Westen werd St.-Laurentius al vroeg vereerd. In verband met zijn marteling (hij onderging de vuurdood op een gloeiend rooster) wordt hij aangeroepen bij brandwonden en brandgevaar (zo worden ook de vallende sterren op 10 aug. sint-laurenstranen genoemd). Hij werd begraven in de basiliek in Rome, de San Lorenzo fuori le mura. Bij de Du. Ottoonse dynastie stond St.-Laurentius (evenals St.-Mauritius) in hoog aanzien. Zijn cultus kreeg een nieuwe prikkel door de slag op het Lechfeld, die op 10 aug., zijn feestdag, plaatsvond. De naam kwam op in de 12e eeuw: Waadt 1167, een Rhaetiër (Socin); Rijnland 1166 (Littger); West-Vla. 12e eeuw (Leys). Eerste voorbeeld in Holl.: 1236 (Van der Schaar); Laurentius = Wreyns, Wreynsken, Vreis, Frens, Den Bosch e.o. 14e/15e eeuw; Vreys, Lens, Belg. Limb. 1662 (J. Nouwen, Meded. Naamk. 1959, 36). Laurentius is patroon van de parochie Oud-Gastel.

Elisabeth

Geslacht: V

verklaring: 
Hebr. naam, uit Elisjeba `God heeft gezworen, God is mijn eed, God is degene bij wie ik zweer’. 1) Naam van de vrouw van Zacharias, moeder van Johannes de Doper; kerk. feestdag: 5 nov.; 2) St.-Elisabeth van Hongarije (1207-1231), dochter van Andreas II van Hongarije en echtgenote van Lodewijk IV, landgraaf van Thüringen. Ze komt in veel legenden voor (ze is ook een van de hoofdfiguren uit Wagners `Tannhäuser’). Gewoonlijk noemt men haar Elisabeth van Thüringen. Kerk. feestdag: 19 nov.; 3) St.-Elisabeth van Portugal, geb. 1271, werd vernoemd naar de bovenvermelde, haar oudtante. Zij was een dochter van de koning van Aragon en huwde met Dionysius I van Portugal; gest. 1336; kerk. feestdag: 8 juli. Mede doordat verscheidene andere vorstinnen de naam droegen werd hij zeer populair. In ons land komt hij betrekkelijk vroeg in de middeleeuwen al voor o.i.v. de bijbelse Elisabeth. Bij Socin vermeld in Mainz 779; Rijnland 1129; volgens Littger (blz. 175) is het gebruik mogelijk beïnvloed door Germ. namen met alis, bijv. Elispert, vr. Elisbertha. Oudste voorbeeld in Holl.: 1204 (Van der Schaar). Vroeger veel de vorm Elsabe, Elsebe, wat een ander accent verraadt: initiaal accent, als in het Germ.

Barendina

Geslacht: V

grondvorm: Bernhard

verklaring: 
Tweestammige Germ. naam met ongeveer de betekenis `sterk, moedig als een beer’, uit Bern `beer- (zie -bern-) en -hard `sterk, moedig’ (zie -hard-). De naam kwam van oudsher in de Germ. streken veel voor, maar door verschillende heiligen zal hij steun ondervonden hebben voor een blijvende populariteit. Vooral Bernhard van Clairvaux (1091-1153) heeft bijgedragen aan de populariteit van de naam. Hij was afkomstig uit de Bourgondische adel en werd in 1115 abt van Clairvaux; kerk. feestdag: 20 aug. Het bekende hospitium op de St.-Bernhardspas werd gesticht door St.-Bernhard van Menthon, gest. 1081.

Leuntje

Geslacht: V

verklaring: 
Op Tholen een variant van zowel Apollonia als Leentje.

Appollonia

grondvorm: Apollonius

Geslacht: m

verklaring: 
Lat. `tot Apollo behorend’. Evenals de oorsprong van de godheid is zijn naam duister. De Gri. zelf brachten hem in verband met apollumi: `de vernietiger’. Sommigen zien voor de oudere vorm Apelloon een relatie met de Indogerm. wortel apelo- `sterk’. Apollo was een van de belangrijkste goden uit de Gri. (en Romeinse) mythologie. Oorspr. de god van het licht, later ook van de dichtkunst, muziek, geneeskunst enz. Als persoonsnaam komt Apollonius al voor als die van een Gri. redenaar, ca. 120 v. Chr. Er is ook een heilige met deze naam: en Romeinse martelaar onder keizer Commodus (180-192); kerk. feestdag: 18 april. Zijn naam kan mede verbreid zijn door de middeleeuwse Apolloniusroman. Bekender was echter St.-Apollonia, martelares tijdens keizer Decius, ca. 249; kerk. feestdag: 9 febr. Oudste voorbeelden: Zuid-Ndl. 1294; Holl. 1334; vr. voorbeeld: Peluenye, Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere); Holl. ca. 1600.

Pieternella

grondvorm: Petronella

Geslacht: V

verklaring: 
Petronella, oorspr. Petronilla, is een vr. afleiding van Petronius. Het is een heiligennaam: Petronilla was een Romeinse martelares uit de vroege tijd van het christendom. Op grond van een legende geloofde men dat zij een dochter van Petrus was. De aanleiding voor deze gedachte was de ontdekking van een grafschrift in Rome: Filiae dulcissimae Aureliae Petronillae (`aan de allerliefste dochter Aurelia Petronilla’). Kerk. feestdag: 31 mei. Petronilla werd ook patrones van Fra. De naam werd al vroeg in de middeleeuwen populair, aanvankelijk verbreidde hij zich vooral via adellijke geslachten. Oude voorbeelden zijn: Petronilla, Waadt 987 (Socin); Petronilla, echtgenote van graaf Floris II van Holl., 1139; Gerard Nellenman, Tieleman Nellensoon, Dordt 1284-87 (SRD; Nellen is afgeleid van Petronella. Deze aanduidingen wijzen op belangrijkheid van de vrouw). Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere): Peroenne, Peroenkin; Nella, Den Bosch e.e. 15e eeuw; Nelleken, 16e eeuw; Naleke = Petronella, Utrecht 1610 (Ned. L. 1967, 213); Neel, Monnikendam 1624 (Belonje IV, 140); Peerke = Pieternella, Etten-Leur ca. 1635 (Gens N. XXI, 340); Pieternilligie, Oud-Beierland 1776, enz. De naam blijft steeds populair.

Prijntje

grondvorm: Prina

Geslacht: V

verklaring: 
Blijkens bewijsplaatsen uit de 17e eeuw is dit een bijvorm van Petra, Petronella. Vgl. Fra. Périne = Pernelle, Petronilla. Den Bosch 17e eeuw: Peerken, Perina, Perijntje, Prijntje = Petra; Perijn Arien Deelen dr. = Petronella Deelen, Heeze-Leende (bij Eindhoven), 1691 (Gens N. XXII, 239). Deze verkortingen zijn al in de 15e/16e eeuw in Vla. aan te treffen: Perine, Peryne, Perynkin, Pieryne, Pierin; 17e eeuw: Perynke, Pieryntie (Ze.), Parina, Pryntje, Pierina (Schiedam 1685); Pryna, Amsterdam ca. 1705 (Gens N. XXI, 137) enz. Prina, Middelburg 1741 (Ned. L. 1965, 343); Prijna, Oud-Vossemeer (Ze.), 1788; Perinde, Perijntje, Pronia, Pronica, Pronika; Prijna, Katwijk 1911 (Ned. L. 1953, 395). Een grote variatie van vormen uit de tweede helft van de 16e begin 17e eeuw is ook te vinden in: J. H. Bekouw, `De emigratie uit Belle, Poperingen en Hondschooten tijdens de Spaanse overheersing’, een serie artikelen in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, 1953 e.v. (Parijntgen, Perijntgen, P 

Mattie

grondvorm: Martinus

Geslacht: M

verklaring: 
De bekendste variant is Maarten. De naam is van oorsprong een Oudlatijns cognomen (Lat. bijnaam, toenaam), vnl. van slaven, later vooral van martelaren. Het is de verkleinvorm van Martius `van Mars’, de god van de oorlog (Gri. Ares). De naam Mars hangt samen met Gri. marnamai `ik strijd’ en Arm. mart `strijd’ (zie ook Marcus). De naam werd in de middeleeuwen buitengewoon populair door St.-Maarten, geb. ca. 316. Waarschijnlijk was hij de zoon van een Romeins tribuun uit Pavia. Hij stichtte de abdij van Marmoutier, waar hij als bisschop van Tours (ca. 371) leefde. Op de verbeelding van het volk werkte vooral het verhaal over de helft van zijn mantel die hij, toen hij nog Romeins soldaat was, aan de stadspoort van Amiens aan een bedelaar gaf. Hij werd dé nationale heilige van Fra.; gest. ca. 397 en begraven in de St.-Maartensbasiliek in Tours; kerk. feestdag: 11 nov. Vele volksgebruiken herinneren nog aan zijn grote populariteit in de middeleeuwen. Ook verschillende plaatsnamen herinneren aan hem: St.-Maarten, St.-Maartensdijk, Maartenshoek. De Utrechtenaren werden vroeger St.-Maartensmannen genoemd. Martinus was de belangrijkste heilige in het middeleeuwse bisdom Utrecht, omdat St.-Willibrord (de eerste bisschop van Utrecht) het bisdom onder zijn bescherming stelde. Vóór 1200 waren al vele kerken aan hem gewijd. Een andere heilige van deze naam heeft zijn feestdag op 12 nov., nl. Martinus I, paus van ca. 649-655. Onder de Du. protestanten werd 10 nov. Martinstag, n.a.v. de geboortedag van Maarten Luther. Vgl. ook: Teake Marten Luther, Sneek 1969. De naam was al vroeg in de middeleeuwen populair: Martinus, Saargau 713 (Socin); Rijnland 2e helft 9e eeuw (Littger); Martinus kanunnik (?), Utr. 1118 (Gysseling, Overz. 10). Hij komt ook voor onder de chr. namen in West-Vla. in de 12e eeuw (Leys). Oudste voorbeeld in Holl. pas in 1551 (Van der Schaar). Martinus is dikwijls de r.k. vorm, bijv. ook in Bolsward (St.-Maarten is patroon van deze stad). Zie ook Martina.

Bastiana

grondvorm: Sebastianus

Geslacht: M

verklaring: 
Rechtstreeks, of via de betekenis `man uit Sebastia’, afgeleid van Gri. sebastos `verheven, eerwaardig’ (vgl. Lat. Augustus). Heiligennaam: Sebastianus, volgens de legende een officier uit het leger van Diocletianus, die om zijn geloof op bevel van de keizer met pijlen doorschoten werd. Kerk. feestdag: 20 jan. Reeds vroeg werd hij vereerd in geheel West-Europa. De naam kwam hier in de 14e eeuw op: Leuven 1390: Bastijn; oudste voorb. in Holl.: 1370 (Van der Schaar). Vr. vormen (Bastiaentje, Sebastiana enz.) sinds het eind van de 16e eeuw.

Sara

Geslacht: V

verklaring: 
Hebr. `vorstin’, vr. van sjar `vorst’. Het is de naam van de vrouw van Abraham. Aanvankelijk heette zij Sarai, maar bij de aankondiging van de geboorte van een zoon moest zij haar naam veranderen (Gen. 17,15). Sarai (Hebr. Sjarai) is afgeleid van sjar met het suffix -ai: `vorstelijk’. Heiligennaam: Sara, kluizenares in de Libische woestijn tegen het eind van de 4e eeuw; kerk. feestdag: 13 juli. Wat betreft de verbreiding van de naam in deze streken: in Keulen een voorbeeld in 1178 (Littger 180). Reeds Förstemann constateerde dat bij de vroege gevallen het Germ. Sarah (Germ. saro `(wapen)rusting’) niet met zekerheid te scheiden is van Hebr. Sarah (zie ook Tavernier-Vereecken 24). In het z. is de naam in de 12e eeuw al vrij frequent. In het n. kwam hij pas in de 17e eeuw op, vooral in prot. kringen (Ze.).

Cathelina

grondvorm: Cataharina

Geslacht: V

verklaring: 
In het algemeen wordt de naam in verband gebracht met Gri. katharos `rein, schoon, zuiver’. Volgens sommigen echter is hij van alkaterinè, waarop de Rus. vorm (Ekaterina) wijst. De th zou er dan in gekomen zijn onder invloed van het Gri. woord katharos (hoewel men het ook verklaart uit aeikaternè `de altijd reine’). Er is nog een andere verklaring, hetgeen wel op onzekerheid wijst, nl. uit Syrisch kéthar `kroon’. De naam was al vroeg in de middeleeuwen in West-Europa verbreid en zeer frequent. Deze populariteit gaat terug op: 1) de heilige Catharina van Alexandrië, hier bekend geworden sinds de Kruistochten, zij was martelares in 307. Volgens de legende liet keizer Maxentius haar disputeren met 50 filosofen, die zich daarop bekeerden en gedood werden. Zij zelf werd gemarteld op een wiel met scherpe punten en gedood. Aangezien haar lijk naar de berg Sinaï gebracht zou zijn, werd deze het centrum van haar verering en vandaar verbreidde de naam zich. Zij is een van de noodhelpers; kerk. feestdag: 25 nov. Voorts o.m.: 2) Catharina van Siena in Midden-It. (1347-’80). Zij heeft er veel toe bijgedragen dat de naam populair bleef; kerk. feestdag: 30 april. De naam Catharina werd ook door vele vorstinnen in Europa gedragen. De benaming van sommige rederijkerskamers in België, `Catharinisten’, herinnert eraan dat de eerstgenoemde St. Catharina o.m. patrones van de redenaars is. Hoewel er voordien ook sporen van verering zijn, kreeg de naam vooral populariteit vanaf de 13e eeuw, mede o.i.v. de kruistochten. Zo vond Debrabandere in Kortrijkse bronnen uit de periode 1300-1350 dat daarin ruim 10% van de vr. (een variant van) deze naam droeg (Debrabandere 1971). Ofschoon vormen als Kathrina, Katrine ook in de middeleeuwen voorkomen, zijn verlatijnste vormen volgens Lindemans (Album Meertens 106) pas in de 17e-19e eeuw in gebruik gekomen o.i.v. het concilie van Trente (zie Inleiding). In Holl. kende men in de middeleeuwse vleivormen als Calle en Callekijn. Daarnaast kwamen uit het z. in de 14e eeuw vormen als Kateine en Catelijne, die weer leidden tot verkortingen als Lijne, Lijnken en Lijntje. Trijntje e.d. vindt men daarnaast vanaf de 16e eeuw (Hoorn 1514, Rotterdam 1545), terwijI Kaatje, Caatje e.d. in de tweede helft van de 17e eeuw verschijnt (Caetgen, Rotterdam 1678). Oud voorb. als jongensnaam: Catharinus, Rotterdam 1673